Matth. 4,12-23
In duisternis leven en dan LICHT zien. Wie wel eens een nachtelijke tocht door de bossen heeft gemaakt, weet hóeveel één klein lichtje betekenen kan. Maar ook in je leven kan een klein licht in het duister wònderen doen! Een klein gebaar, een brief, een warm contact. Dan kun je weer even verder. Dat geeft je weer moed.
Jezus wordt als een licht neergezet. Als we in onszelf wat gedachten over het leven van Jezus boven laten komen, dan verschijnen er een paar plaatsnamen in onze geest. Bethlehem, Nazareth, Jeruzalem. Die zeker. Kapernaüm wordt heel vaak vergeten. Zo'n uithoek van het land, zo'n donker gat. Nou, een gat was het niet. Het was een belangrijke grensplaats, waar ook een Romeins garnizoen was gelegerd. Dáárheen verhuist Jezus, als hij vanwege Herodes niet meer in Nazareth kan blijven. Johannes de Doper is al gevangen gezet – en wij weten dat hij er niet meer levend uit zal komen.
Jezus wijkt uit naar Kapernaüm. `Jezus van Kapernaüm' zou ook een goede benaming voor hem zijn. Daar woont hij. Vanuit Kapernaüm reist Jezus rond door Galilea, Samaria en Judea. Galilea werd als een donker gebied beschouwd; als de Achterhoek, als donker Noord Holland. Vanuit Galilea vonden de meeste opstanden plaats tegen de Romeinse bezetters. Het was een broeinest van onrust en geweld. De Romeinen sloegen keihard terug. Duistere dagen, weken, maanden en jaren maakten de mensen daar door.
We leven niet altijd zelf in ellende, ook al gaat het ons huis niet voorbij. Soms is het ver weg, bij een ander. En spreek je dan met de mensen die jou ter harte gaan in hun ellende, dan zeggen ze soms heel iets anders dan je verwacht; iets verrassends: `We hebben alles verloren; ons blijft nu niets anders over, dan te hopen op God'. Zouden wij dat óók zeggen? Of zouden wij misschien helemaal afhaken? Waar WIJ wellicht Gods afwezigheid zouden bekritiseren, leven zij juist met hoop. Waar velen het moede hoofd in de schoot zouden leggen, zijn er soms anderen die dat niét doen. Die zich niét laten intimideren.
Als Mattheüs gaat schrijven over Jezus' komst naar Kapernaüm, haalt hij de profeet Jesaja aan: `Een volk dat in duisternis leeft, ziet een schitterend licht; en zij die wonen in de schaduw van de dood worden door het licht beschenen’. Midden in het duister van de wereldnacht verhuist Jezus naar Kapernaüm. Als een morgenster verschijnt hij daar. Van toen af begon hij te prediken en te zeggen: `Keert omme, het rijk van God is nabij! De nieuwe tijd breekt zich baan! Keert omme!' Want voor een nieuwe tijd is verandering nodig. Is het nodig dat WIJ veranderen en Hem gaan navolgen.
Ik kom graag in rk kloosters en ken er ook wel wat mensen. De laatste keer was ik in Chevetogne en ontmoette daar mgr. Bär, de vroegere bisschop van Rotterdam. Hier in deze plaats heb je of had je een klooster, ik geloof met zusters; nu hebben we vaak alleen nog de zusters of paters die in kleine gemeenschappen wonen. Maar altijd weer zijn er mensen die zich laten roepen, laten wenken door dat licht, dat schijnt in het duister; dat schitterend licht, dat Jezus is. Ook wij horen daarbij.
Als Jezus langs het water loopt, ziet hij twee vissers, Simon en Andreas. En ineens ziet hij het voor zich: ze moeten niet langer vissen opvissen uit het meer van Galilea, maar mènsen opvissen uit de goot. En zijn woordspel, dit beeld, dit visioen sluit aan bij hun verwachting. Want in die donkere dagen verwàchtten zij de Messias. In nood wordt immers méér op God gehoopt, dan in goede tijden. In het duister verschijnt een keer licht. Het kan niet en zal niet voor eeuwig donker blijven. Maar daarvoor is dan nu ook HUN inzet nodig, begrijpen ze. En ze gaan mee, achter hem aan, en ook Jakobus en Johannes.
Ze gaan mensen opvissen. Net als al die anderen, die ervoor gekozen hebben om hun leven aan de navolging van Christus te wijden. Of het nonnen zijn, of bezoekers namens de kerk, of dominees of pastores, of gewoon mensen die weten wat naastenliefde is, mensen als u en ik: we wachten niet af, maar gaan op stap. We ontwijken de mensen niet, maar zoeken juist contact. We selecteren niet, maar staan open voor iedereen. We zijn beschikbaar voor kinderen, voor zieken, voor ouderen, voor jongeren, voor Godzoekers, voor verlorenen. We beperken ons niet tot onze familie of tot onze kerk. We zijn met mensen bewogen, ontroerd, we geven om mensen wie en hoe dan ook, armen, rijken. We zijn van niemand vies en voor niemand te goed - toch?
Deze Jezus-beweging, deze vissers van mensen – dus ook wij - komen recht op iemand af en zeggen: "Wie ben je, wat doe je, waarom leef je, waarom leef je niet?" En ze zeggen: "Je moet opnieuw geboren worden, het is voor jou, dat koninkrijk van God, dat nieuwe begin; voor jou, met al je tobben, voor jou, met al je prestige; als je dat tenminste lòs durft te laten en een kind durft te worden."
Die navolgers van Christus spreken met gezag. Ze zeggen (en wij zeggen het hen na): in den beginne was dat er toch helemaal niét, wat wij nu zijn: ontrouw, en wraak over en weer; in den beginne was er toch mededogen? In den beginne was er toch de eenvoud dat je elkaar geen stenen voor brood geeft, en was er toch ook vriendschap? In den beginne is dàt toch door God gewild, gedacht, gedroomd en in gang gezet? Dat visioen is in ons neergelegd, ooit, van den beginne, als een nieuwe bron van weten, toch? We weten het toch allemaal, we beseffen het toch? Maar waar is dat allemaal gebleven?
Het zijn woorden en beelden waarvan wij als in een flits voelen dat ze wáár zijn, dat ze tot ons spreken met gezag, omdat ze ons niet kleineren maar aanspreken op onze ware grootte, omdat ze aan mensen gewaagd zijn. In den beginne was er toch al dit woord: dat wij de vreemdelingen brood zullen geven en kleding, dat we hartstocht zullen hebben voor gerechtigheid en dat dat woord hoe dan ook van kracht blijft, of we het waarmaken of niet?!
Ik kan het niet nalaten in dit verband die onthutsende en ontroerende, ware woorden aan te halen van een van de grootste lichten in onze dagen: Nelson Mandela. Hij heeft eens gezegd:
Onze diepste angst is niet dat we tekort zullen schieten.
Onze diepste angst is dat we bovenmatig krachtig zijn.
Het is ons licht, niet onze duisternis die ons afschrikt.
We vragen onszelf af: Ja maar wie ben ik om briljant te zijn,
geweldig getalenteerd, heel bijzonder?
Werkelijk... ja, wie ben jij om dat te zijn?
Jij bent een kind van God.
Je kleiner voordoen dan je bent, dat dient de wereld niet.
Er is niets verlicht aan, om je kleiner te maken
zodat andere mensen zich niet onzeker voelen in jouw buurt.
Wij zijn bedoeld om te schitteren zoals kinderen doen.
Wij zijn geboren
om de glorie van God uit te stralen
die binnen in ons is.
Die is niet slechts in enkelen van ons,
die is in iedereen.
En wanneer wij ons licht laten schijnen
geven we bewust of onbewust
ook aan andere mensen de ruimte
om hetzelfde te doen.
Wanneer wij bevrijd zijn van onze eigen angst,
zal onze aanwezigheid ook anderen bevrijden.
De evangeliën getuigen dat JEZUS dit woord heeft volbracht en het licht heeft geleefd; dat in hem zichtbaar is geworden wat ons wordt aangezegd: om als nieuwe mensen te leven, als kinderen van God. Omdat het al volbracht is, is het nu te volbrengen. Omdat het al geleefd is, kun je het leven. Het is ook nu van kracht, in onze dagen. In donkere dagen. Daarom wordt hij, onze Heer nog altijd genoemd: een licht voor de volken. Dat zijn geest op ons moge zijn.
27 januari 2008
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)

2 opmerkingen:
Hallo Klaas,
de tekst die je aanhaalt als zijnde van Nelson Mandela blijft heel mooi, maar is niet van zijn hand. Het is op het internet aan hem toegeschreven, maar is in feite van Marianne Williamson. Hij schijnt echt niet voor te komen in Mandela's inaugurele rede van 1994 zoals gesuggereerd wordt,
niet minder mooie woorden, maar toch,
hartelijke groet,
anneke peijnenborg
geestelijk verzorger en yahoogenoot
Tja, zo gaat dat tegenwoordig dus wel vaker, met internet...
Het blijft inderdaad een goeie tekst; hij zou het misschien wat de inhoud betreft wel gezegd kunnen hebben.
Zo gaat iets dus een eigen leven leiden..
Dank voor je reaktie!
Een reactie posten