29 mei 2010

Jesaja 46

-
Regelmatig een bewerking van Jesaja, vrij vertaald uit de Hebreeuwse grondtekst.


Hoe zijn zij gevallen, je goden!
een prooi voor het wild en het vee;
zij zouden jou dragen;
nu moeten zijzelf worden gedragen,
een zware last voor een ezel.
Omgevallen en ter aarde gestort,
niemand kon ze meer redden,
ze zitten muurvast.

Luister naar mij, huis van Jakob,
en wat rest van het huis Israël:
van kindsbeen af heb Ik jou gedragen,
ja van de moederschoot af;
tot je oud bent en grijs
zal Ik je dragen, zoals hiervoor,
Ik zal je optillen en redden.

Met wie wil je mij vergelijken,
met wie in één rij zetten ?

Die lui schudden geld uit hun beurs,
wegen zilver af op de weegschaal,
zoeken een goudsmid
die maakt er een God van,
waarvoor ze buigen en knielen.

Ze houden processie, ze dragen hem,
zetten hem neer op z'n plek;
zelf komt hij niet in beweging;
roep je tot hem,
dan geeft hij geen antwoord,
uit je ellende redt hij je niet.

Denkt hieraan en weest sterk
en neemt dit ter harte:
denk maar aan het begin, aan de oertijd
geen God is er, geen als Ik
ik heb het tevoren gezegd;
wat nog komt heb Ik al verkondigd.

Uiteindelijk gaat mijn heil in vervulling,
mijn welbehagen zal Ik volvoeren,
Ik, die uit een ver land een roofvogel roep,
een man voor mijn plan;
Ik heb het gezegd; zo zal het gebeuren;
het idee is van mij, dus zal Ik het doen.

Luister naar mij, jullie hooghartigen,
die niet eens van gerechtigheid wéten:
Ik doe mijn gerechtigheid komen;
het is niet meer ver;
vrede en heil blijven niet achter:
Ik geef Sion mijn heil,
aan Israël mijn eer.
-

Geen opmerkingen: