-
Regelmatig een bewerking van Jesaja, vrij vertaald uit de Hebreeuwse grondtekst
17 Let op:
Ik maak de hemel nieuw
en de aarde nieuw;
de gedachte aan wat geweest is
zal bij niemand meer leven
18 Wees blij en verheug je
over wat Ik ga doen:
Jeruzalem wordt bron van vreugde,
en het volk reden tot blijdschap,
19 ja, Ikzelf verheug me over Jeruzalem
en ben blij over mijn volk,
want huilen of schreeuwen
zul je daar niet meer horen;
20 er zal geen kind zijn
dat maar een paar dagen leeft,
geen oude, die sterft voor z'n tijd:
wie als honderdjarige sterft,
sterft nog te jong,
en wie zich misdraagt
en maar honderd jaar leeft
zal daarom worden beklaagd.
21 Mijn volk zal huizen bouwen
en er echt zèlf in wonen,
ze zullen wijngaarden planten
en zèlf de vrucht ervan eten:
22 het zal niet meer zo zijn
dat zij een huis bouwen
en een ànder erin gaat wonen,
of dat zij een wijngaard planten
en een ànder de vrucht ervan eet –
want mijn volk: lang zullen ze leven,
lang als de bomen!
Mijn geliefden zullen zèlf kunnen genieten
van het werk van hun handen:
23 ze zwoegen niet meer voor niks,
de kinderen die ze krijgen
sterven niet een vroegtijdige dood:
een door de Heer gezegend geslacht zullen ze zijn,
en hun nageslacht met hen;
24 ja, zó zal het zijn:
eer zij roepen,
antwoord Ik al,
terwijl zij nog spreken,
verhoor Ik hen al!
25 Wolf en lam worden vrienden,
de verscheurende leeuw eet mee uit de ruif,
ja, de slang vult z'n buik met het stof:
geen kwaad zullen zij doen
en niets meer vernielen
op heel mijn heilige berg, -
zegt de Heer.
-
Posts tonen met het label Jesaja. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jesaja. Alle posts tonen
11 september 2010
6 september 2010
Jesaja 61-62
-
Regelmatig een bewerking van Jesaja, vrij vertaald uit de Hebreeuwse grondtekst
Jesaja 61,10-62,5
10 Verblijd, ja ik verblijd me in de Heer,
mijn ziel juicht in mijn God,
want Hij heeft mij bekleed
met de kleren der verlossing,
met de mantel van gerechtigheid
heeft Hij mij omhuld,
zoals een bruidegom
met de hoofdtooi van een priester,
zoals een bruid
getooid met haar sieraden.
Regelmatig een bewerking van Jesaja, vrij vertaald uit de Hebreeuwse grondtekst
Jesaja 61,10-62,5
10 Verblijd, ja ik verblijd me in de Heer,
mijn ziel juicht in mijn God,
want Hij heeft mij bekleed
met de kleren der verlossing,
met de mantel van gerechtigheid
heeft Hij mij omhuld,
zoals een bruidegom
met de hoofdtooi van een priester,
zoals een bruid
getooid met haar sieraden.
11 Want zoals de aarde haar gewas doet ontkiemen
en zoals een tuin z'n zaaigoed doet uitspruiten,
zo zal de Here God gerechtigheid en lofzang doen uitspruiten
ten overstaan van alle volken.
62:1 Omwille van Sion kàn ik niet zwijgen,
en om Jeruzalems wille niet rusten ‑
tòt haar gerechtigheid straalt, vèr naar buiten
en haar bevrijding als een vurige toorts;
2 tot jouw gerechtigheid wordt gezien door de volken
en je heerlijkheid door alle vorsten ‑
een nieuwe naam zal tot je klinken;
de mond van de Here bepaalt hem;
3 je wordt een sierlijke kroon in de hand van de Here ‑
een diadeem in de hand van je God;
4 niemand zegt meer tot jou:
nu ben je verlaten
niemand meer zegt tot je land:
nu ben je verwoest,
maar iemand zal tot jou roepen:
ik mag haar graag!
en tot je land:
ik beloof je trouw ‑
want de Heer mag je graag
en Hij belooft je land trouw;
5 zoals een jongen een meisje trouw belooft,
zo zullen je zonen jou trouw beloven
en zoals de bruidegom zich verblijdt over de bruid,
zal over jou je God zich verblijden.
-
22 augustus 2010
Jesaja 59
-
Regelmatig een bewerking van Jesaja, vrij vertaald uit de Hebreeuwse grondtekst
Jesaja 59:1-4 en 9-17
Zie, de hand van de Heer
is niet te kort om te verlossen,
en zijn oor
is niet te traag om te horen,
maar jullie daden maken het verschil uit
tussen jullie en je God
jullie zonden zorgen ervoor
dat hij zijn aangezicht verbergt,
dat hij jullie niet hoort;
bloed kleeft er aan jullie handen,
jullie vingers staan naar de misdaad
jullie lippen spreken niets dan leugens,
jullie tong praat enkel onrecht;
geen aanklacht is terecht,
geen rechter is betrouwbaar
men verlaat zich op wilde geruchten,
op woorden van niks;
men gaat zwanger van onheil
en brengt zo de ondergang voort.
Dáárom is het recht verre van ons
en bereikt ons de gerechtigheid niet
wij hopen op licht, maar zie: alles is duister!
op helderheid, maar in donkerte gaan we.....
als blinden tasten we langs de wand,
als wie geen ogen hebben, zo tasten wij
we struikelen overdag, alsof het schemering is;
in de bloei van ons leven zijn wij als doden,
we brommen als beren, wij allen,
en koeren, ja koeren als duiven
hopend op recht, maar zo komt het niet,
op bevrijding, maar die blijft verre van ons.
Want talrijk, o Heer,
zijn onze overtredingen tegen u,
en onze zonden zijn tegen ons tot getuige
ja, onze overtredingen staan ons voor ogen,
ons wangedrag kennen we:
overtreden van Gods regels van recht;
doen alsof Hij niet bestaat,
weg gaan uit het rechte spoor,
àchter onze God vandaan
van onderdrukking is sprake,
van onbetrouwbaarheid,
we zijn vol leugenachtige woorden;
dàt stijgt er op uit ons hart;
het recht moet wijken,
gerechtigheid blijft op een afstand
de waarheid sneuvelt op het marktplein;
eerlijkheid komt er niet in;
waar waarheid regel zou moeten zijn,
daar wordt die node gemist,
en wie het kwade mijdt, die moet het ontgelden.
God zag het, en het was kwaad in z'n ogen
dat er nergens recht was;
hij zag het en stond versteld
dat er niemand was, dat niemand optrad
toen greep hij in,
zijn arm bracht de redding,
gesteund door zijn gerechtigheid;
ja, gerechtigheid werd toen zijn pantser,
bevrijding de helm op z'n hoofd
vergelding werd zijn kledij,
zijn inzet werd hem tot een mantel.
-
Regelmatig een bewerking van Jesaja, vrij vertaald uit de Hebreeuwse grondtekst
Jesaja 59:1-4 en 9-17
Zie, de hand van de Heer
is niet te kort om te verlossen,
en zijn oor
is niet te traag om te horen,
maar jullie daden maken het verschil uit
tussen jullie en je God
jullie zonden zorgen ervoor
dat hij zijn aangezicht verbergt,
dat hij jullie niet hoort;
bloed kleeft er aan jullie handen,
jullie vingers staan naar de misdaad
jullie lippen spreken niets dan leugens,
jullie tong praat enkel onrecht;
geen aanklacht is terecht,
geen rechter is betrouwbaar
men verlaat zich op wilde geruchten,
op woorden van niks;
men gaat zwanger van onheil
en brengt zo de ondergang voort.
Dáárom is het recht verre van ons
en bereikt ons de gerechtigheid niet
wij hopen op licht, maar zie: alles is duister!
op helderheid, maar in donkerte gaan we.....
als blinden tasten we langs de wand,
als wie geen ogen hebben, zo tasten wij
we struikelen overdag, alsof het schemering is;
in de bloei van ons leven zijn wij als doden,
we brommen als beren, wij allen,
en koeren, ja koeren als duiven
hopend op recht, maar zo komt het niet,
op bevrijding, maar die blijft verre van ons.
Want talrijk, o Heer,
zijn onze overtredingen tegen u,
en onze zonden zijn tegen ons tot getuige
ja, onze overtredingen staan ons voor ogen,
ons wangedrag kennen we:
overtreden van Gods regels van recht;
doen alsof Hij niet bestaat,
weg gaan uit het rechte spoor,
àchter onze God vandaan
van onderdrukking is sprake,
van onbetrouwbaarheid,
we zijn vol leugenachtige woorden;
dàt stijgt er op uit ons hart;
het recht moet wijken,
gerechtigheid blijft op een afstand
de waarheid sneuvelt op het marktplein;
eerlijkheid komt er niet in;
waar waarheid regel zou moeten zijn,
daar wordt die node gemist,
en wie het kwade mijdt, die moet het ontgelden.
God zag het, en het was kwaad in z'n ogen
dat er nergens recht was;
hij zag het en stond versteld
dat er niemand was, dat niemand optrad
toen greep hij in,
zijn arm bracht de redding,
gesteund door zijn gerechtigheid;
ja, gerechtigheid werd toen zijn pantser,
bevrijding de helm op z'n hoofd
vergelding werd zijn kledij,
zijn inzet werd hem tot een mantel.
-
19 augustus 2010
Jesaja 57,15
-
Regelmatig een bewerking van Jesaja, vrij vertaald uit de Hebreeuwse grondtekst
Zo zegt de hoge en verhevene
die in eeuwigheid woont
- heilig is zijn naam –
in den hoge en in het heilige woon ik,
ja bij de gebroken mens
en bij wie geen geestkracht meer heeft,
om te doen òpleven
de geest der krachtelozen,
ja, om het hart van gebrokenen
te doen herleven.
-
Regelmatig een bewerking van Jesaja, vrij vertaald uit de Hebreeuwse grondtekst
Zo zegt de hoge en verhevene
die in eeuwigheid woont
- heilig is zijn naam –
in den hoge en in het heilige woon ik,
ja bij de gebroken mens
en bij wie geen geestkracht meer heeft,
om te doen òpleven
de geest der krachtelozen,
ja, om het hart van gebrokenen
te doen herleven.
-
9 augustus 2010
Jesaja 55
-
Regelmatig een bewerking van Jesaja, vrij vertaald uit de Hebreeuwse grondtekst
Jullie die dorst hebt,
kom naar het water;
als je geen geld hebt,
kom, koop en geniet
wijn en melk, zonder prijs
ook al heb je geen geld.
Geef niks uit voor wat geen brood is,
je spaargeld voor wat niet bevredigen kan;
luister naar Mij,
dan krijg je iets goeds
waarvan je langdurig geniet.
Luister, kom maar, hoor maar,
er is toekomst voor jou:
m'n verbond met jou geldt voorgoed,
betrouwbaar als de genade
door Mij aan David bewezen.
Op mijn man zullen de volkeren letten,
hij heeft iets te zeggen,
hij spreekt met gezag.
Jij roept een volk te hulp
dat je niet kende,
noch kenden zij jou;
zij snellen te hulp,
om mijns naams wil;
in jou leg Ik mijn eer.
Zoekt de Eeuwige,
NU laat hij zich vinden;
roept hem aan,
NU is hij nabij.
Verlaat het pad van het kwaad,
laat die duistere plannen toch liggen,
keer je òm tot de Eeuwige
Hij wil zich ontfermen
tot onze God
groot is hij in 't vergeven.
Wat Ik bedenk is niet wat jullie bedenken;
jullie wegen zijn niet mijn wegen,
luidt het woord van de Eeuwige;
want zo hoog de hemel
verheven is boven de aarde,
zó hoog zijn mijn wegen
boven die van jullie verheven
en gaat wat Ik bedenk uit
boven wat jullie bedenken.
Maar zoals regen en sneeuw
neerdalen vanuit de hemel
en niet opstijgen
zonder dat ze de aarde eerst
te drinken hebben gegeven,
en vruchtbaar hebben gemaakt,
zodat van alles ontkiemt
en er zaad komt om mee te zaaien
en brood voor wie wil eten,
zó zal het gaan met een woord
dat uit mijn mond uitgaat:
het stijgt niet weer tot Mij op
zònder te hebben gedaan
wat Ik graag wil,
of zonder te hebben gedaan
waartoe Ik het zond:
verheugd trekken jullie weg,
gaat dan heen in vrede;
als ze je zien
breken bergen en heuvels uit in gejubel,
en alle bomen van het veld
klappen dan in hun handen;
onder de doornstruik ontkiemt een cypres,
onder de distel een mirt,
voor Mij hoort dit bij mijn naam;
dit is een teken voorgoed,
dat nooit zal verdwijnen.
-
Regelmatig een bewerking van Jesaja, vrij vertaald uit de Hebreeuwse grondtekst
Jullie die dorst hebt,
kom naar het water;
als je geen geld hebt,
kom, koop en geniet
wijn en melk, zonder prijs
ook al heb je geen geld.
Geef niks uit voor wat geen brood is,
je spaargeld voor wat niet bevredigen kan;
luister naar Mij,
dan krijg je iets goeds
waarvan je langdurig geniet.
Luister, kom maar, hoor maar,
er is toekomst voor jou:
m'n verbond met jou geldt voorgoed,
betrouwbaar als de genade
door Mij aan David bewezen.
Op mijn man zullen de volkeren letten,
hij heeft iets te zeggen,
hij spreekt met gezag.
Jij roept een volk te hulp
dat je niet kende,
noch kenden zij jou;
zij snellen te hulp,
om mijns naams wil;
in jou leg Ik mijn eer.
Zoekt de Eeuwige,
NU laat hij zich vinden;
roept hem aan,
NU is hij nabij.
Verlaat het pad van het kwaad,
laat die duistere plannen toch liggen,
keer je òm tot de Eeuwige
Hij wil zich ontfermen
tot onze God
groot is hij in 't vergeven.
Wat Ik bedenk is niet wat jullie bedenken;
jullie wegen zijn niet mijn wegen,
luidt het woord van de Eeuwige;
want zo hoog de hemel
verheven is boven de aarde,
zó hoog zijn mijn wegen
boven die van jullie verheven
en gaat wat Ik bedenk uit
boven wat jullie bedenken.
Maar zoals regen en sneeuw
neerdalen vanuit de hemel
en niet opstijgen
zonder dat ze de aarde eerst
te drinken hebben gegeven,
en vruchtbaar hebben gemaakt,
zodat van alles ontkiemt
en er zaad komt om mee te zaaien
en brood voor wie wil eten,
zó zal het gaan met een woord
dat uit mijn mond uitgaat:
het stijgt niet weer tot Mij op
zònder te hebben gedaan
wat Ik graag wil,
of zonder te hebben gedaan
waartoe Ik het zond:
verheugd trekken jullie weg,
gaat dan heen in vrede;
als ze je zien
breken bergen en heuvels uit in gejubel,
en alle bomen van het veld
klappen dan in hun handen;
onder de doornstruik ontkiemt een cypres,
onder de distel een mirt,
voor Mij hoort dit bij mijn naam;
dit is een teken voorgoed,
dat nooit zal verdwijnen.
-
4 augustus 2010
Jesaja 54
-
Regelmatig een bewerking van Jesaja, vrij vertaald uit de Hebreeuwse grondtekst
Jubel, jij kinderloze,
jubel en juich,
want wie alleen overbleef
heeft meer kinderen
dan wie getrouwd was,
zegt de Eeuwige;
neem een grote plek voor je tent,
zorg dat je woningen ruim zijn,
houd je niet in,
laat de scheerlijnen lang zijn,
sla de haringen vast in de grond,
want links en rechts zul je uit moeten breiden,
andere volken zullen als jouw nageslacht gelden,
verwoeste steden bewonen zij weer.
Wees niet bang
dat je beschaamd zult worden,
dat je een kleur zult krijgen,
de schande van je jeugd mag je vergeten,
aan je kinderloze staat denk je niet meer,
want hij die jou maakte, die is je man,
de Eeuwige, de rijkomschaarde,
jouw verlosser, de Heilige Israëls,
die God van heel de aarde zal heten.
Als verlaten, diepbedroefde vrouw
heb Ik jou bij je naam geroepen,
als vrouw die al jong is verstoten,
zegt God.
Een ogenblik maar heb Ik je verlaten;
met groot erbarmen haal Ik je terug;
in woede verborg Ik mijn gezicht voor jou;
maar met eeuwige vriendschap
ontferm Ik me weer over jou
zegt je verlosser, de Eeuwige.
Het doet me denken aan de dagen van Noach:
zoals Ik gezworen heb dat de oervloed
nooit meer het land zal bespringen,
zo heb Ik mijn woede over jou afgezworen,
al mijn dreigend geblaas tegen jou.
Bergen mogen wijken, heuvels mogen wankelen,
maar mijn vriendschap zal van jou niet wijken,
mijn vredesverbond zal niet wankelen
zegt je Ontfermer, de Eeuwige.
Ach jij arme, voortgejaagd door de wind,
troosteloze, let op:
je stenen vat Ik in beton,
je fundamenten leg Ik van saffier;
de tinnen van je muren
zullen stralen als robijnen,
je poorten van karbonkelstenen,
heel je omheining van edelstenen;
je kinderen zullen Mijn leerlingen zijn,
lang zullen ze leven in vrede;
gerechtigheid is jouw fundament,
verdrukking blijft verre, je hoeft niet te vrezen;
schrik komt niet naderbij.
Valt iemand je aan, het komt niet van Mij;
en wie jou aanvalt, valt over jou.
Ik immers heb de smid in het leven geroepen,
hoog blaasbalgt hij het kolenvuur op;
met vakmanschap smeedt hij de wapens
Ik heb die kans om te vernietigen geschapen;
geen wapen haalt iets tegen jou uit,
elke leugengetuige voor het gerecht
zul je ontmaskeren en schuldig doen staan;
dit laat Ik na aan Mijn knechten,
zo verschaf Ik hen recht, zegt de Eeuwige.
-
Regelmatig een bewerking van Jesaja, vrij vertaald uit de Hebreeuwse grondtekst
Jubel, jij kinderloze,
jubel en juich,
want wie alleen overbleef
heeft meer kinderen
dan wie getrouwd was,
zegt de Eeuwige;
neem een grote plek voor je tent,
zorg dat je woningen ruim zijn,
houd je niet in,
laat de scheerlijnen lang zijn,
sla de haringen vast in de grond,
want links en rechts zul je uit moeten breiden,
andere volken zullen als jouw nageslacht gelden,
verwoeste steden bewonen zij weer.
Wees niet bang
dat je beschaamd zult worden,
dat je een kleur zult krijgen,
de schande van je jeugd mag je vergeten,
aan je kinderloze staat denk je niet meer,
want hij die jou maakte, die is je man,
de Eeuwige, de rijkomschaarde,
jouw verlosser, de Heilige Israëls,
die God van heel de aarde zal heten.
Als verlaten, diepbedroefde vrouw
heb Ik jou bij je naam geroepen,
als vrouw die al jong is verstoten,
zegt God.
Een ogenblik maar heb Ik je verlaten;
met groot erbarmen haal Ik je terug;
in woede verborg Ik mijn gezicht voor jou;
maar met eeuwige vriendschap
ontferm Ik me weer over jou
zegt je verlosser, de Eeuwige.
Het doet me denken aan de dagen van Noach:
zoals Ik gezworen heb dat de oervloed
nooit meer het land zal bespringen,
zo heb Ik mijn woede over jou afgezworen,
al mijn dreigend geblaas tegen jou.
Bergen mogen wijken, heuvels mogen wankelen,
maar mijn vriendschap zal van jou niet wijken,
mijn vredesverbond zal niet wankelen
zegt je Ontfermer, de Eeuwige.
Ach jij arme, voortgejaagd door de wind,
troosteloze, let op:
je stenen vat Ik in beton,
je fundamenten leg Ik van saffier;
de tinnen van je muren
zullen stralen als robijnen,
je poorten van karbonkelstenen,
heel je omheining van edelstenen;
je kinderen zullen Mijn leerlingen zijn,
lang zullen ze leven in vrede;
gerechtigheid is jouw fundament,
verdrukking blijft verre, je hoeft niet te vrezen;
schrik komt niet naderbij.
Valt iemand je aan, het komt niet van Mij;
en wie jou aanvalt, valt over jou.
Ik immers heb de smid in het leven geroepen,
hoog blaasbalgt hij het kolenvuur op;
met vakmanschap smeedt hij de wapens
Ik heb die kans om te vernietigen geschapen;
geen wapen haalt iets tegen jou uit,
elke leugengetuige voor het gerecht
zul je ontmaskeren en schuldig doen staan;
dit laat Ik na aan Mijn knechten,
zo verschaf Ik hen recht, zegt de Eeuwige.
-
27 juli 2010
Jesaja 53
-
Regelmatig een bewerking van Jesaja, vrij vertaald uit de Hebreeuwse grondtekst
Hoe kun je geloven wat ons is doorgegeven,
wie weet werkelijk wat Gods kracht is?
Gods knecht kwam als een kind bij Hem in huis,
als een bijna verdord plantje;
hij zag er niet uit,
niemand wil zo eentje hebben;
door mensen geringschat en genegeerd,
lijdend aan veel kwalen en ziekten,
iemand aan wie je voorbij kijkt,
iemand die geen aanzien verwerft.
Toch heeft hij ònze ziekten gedragen,
onze pijnen op zich genomen;
wij dachten: het zal wel een reden hebben,
God zit er vast achter.
Maar om ònze overtredingen moest hij het ontgelden,
wegens ons onrecht kwam hij in de knel;
hij werd gestraft, en niet wij,
zodat wij rustig door konden leven;
hij werd gegeseld, en wij gespaard.
Toen hij weggedrukt werd,
liet hij 't gebeuren,
zijn mond deed hij niet open;
zoals een lam dat geslacht gaat worden
of een schaap dat wordt geschoren,
zo deed hij z'n mond niet open.
God nam hem weg uit die ellende
toen het gericht aan hem werd voltrokken,
maar wie van z'n tijdgenoten lette er op
dat zijn leven werd afgebroken,
dat dit alles hem trof
wegens het wangedrag van mijn volk?
In ongewijde aarde werd hij begraven,
bij schurken kreeg hij een grafsteen
hoewel hij geen gewelddaad deed
en er geen bedrog in z'n mond was.
In Gods ogen deed hij het goed,
want zo'n ziekgemaakte en kapotgemaakte mens,
als die zijn leven geeft
als schuldoffer voor velen,
dan heeft hij toekomst,
zijn gedachtenis is dan voor eeuwig;
het welbehagen van God
zal door zijn hand voortgang vinden.
Afgezien van al wat hij lijdt,
zal hij één ding zien,
één ding schenkt hem voldoening:
hij zal de grond der vrijspraak zijn
deze rechtvaardige knecht
voor zeer velen;
hun onrechtmatige daden
heeft HIJ op zich genomen.
Velen horen bij hem,
hij hoort bij de sterksten die overwinnen
omdat hij zijn leven
heeft prijsgegeven aan de dood
en onder de misdadigers werd gerekend,
terwijl hij de zonden van velen wegdroeg;
ja, voor misdadigers leedt hij die plagen.
-
Regelmatig een bewerking van Jesaja, vrij vertaald uit de Hebreeuwse grondtekst
Hoe kun je geloven wat ons is doorgegeven,
wie weet werkelijk wat Gods kracht is?
Gods knecht kwam als een kind bij Hem in huis,
als een bijna verdord plantje;
hij zag er niet uit,
niemand wil zo eentje hebben;
door mensen geringschat en genegeerd,
lijdend aan veel kwalen en ziekten,
iemand aan wie je voorbij kijkt,
iemand die geen aanzien verwerft.
Toch heeft hij ònze ziekten gedragen,
onze pijnen op zich genomen;
wij dachten: het zal wel een reden hebben,
God zit er vast achter.
Maar om ònze overtredingen moest hij het ontgelden,
wegens ons onrecht kwam hij in de knel;
hij werd gestraft, en niet wij,
zodat wij rustig door konden leven;
hij werd gegeseld, en wij gespaard.
Toen hij weggedrukt werd,
liet hij 't gebeuren,
zijn mond deed hij niet open;
zoals een lam dat geslacht gaat worden
of een schaap dat wordt geschoren,
zo deed hij z'n mond niet open.
God nam hem weg uit die ellende
toen het gericht aan hem werd voltrokken,
maar wie van z'n tijdgenoten lette er op
dat zijn leven werd afgebroken,
dat dit alles hem trof
wegens het wangedrag van mijn volk?
In ongewijde aarde werd hij begraven,
bij schurken kreeg hij een grafsteen
hoewel hij geen gewelddaad deed
en er geen bedrog in z'n mond was.
In Gods ogen deed hij het goed,
want zo'n ziekgemaakte en kapotgemaakte mens,
als die zijn leven geeft
als schuldoffer voor velen,
dan heeft hij toekomst,
zijn gedachtenis is dan voor eeuwig;
het welbehagen van God
zal door zijn hand voortgang vinden.
Afgezien van al wat hij lijdt,
zal hij één ding zien,
één ding schenkt hem voldoening:
hij zal de grond der vrijspraak zijn
deze rechtvaardige knecht
voor zeer velen;
hun onrechtmatige daden
heeft HIJ op zich genomen.
Velen horen bij hem,
hij hoort bij de sterksten die overwinnen
omdat hij zijn leven
heeft prijsgegeven aan de dood
en onder de misdadigers werd gerekend,
terwijl hij de zonden van velen wegdroeg;
ja, voor misdadigers leedt hij die plagen.
-
22 juli 2010
Jesaja 52
-
Regelmatig een bewerking van Jesaja, vrij vertaald uit de Hebreeuwse grondtekst
Waak op, wees sterk, o Sion,
bekleed je met pracht, Jeruzalem,
dat `heilige stad' wordt genoemd:
wie onbesneden is of onrein
komt niet bij jou binnen;
schud het stof van je af,
kom in beweging, ga zitten,
doe je halsketen af,
gevangen dochter van Sion!
Zo zegt de Eeuwige:
om niets werden jullie verkocht,
om niet worden jullie verlost;
mijn volk daalde ooit af naar Egypte
en leefde daar als vreemdeling;
ook Assur heeft het om niets onderdrukt.
Hoe heb Ik het nu, zegt de Eeuwige,
want om niets werd mijn volk meegenomen;
de overheersers hebben gejuicht,
dag aan dag beledigen ze mijn naam.
Maar mijn volk zal Mij leren kennen,
op een dag zullen ze weten
dat Ik het ben die zeg: zie, hier ben Ik.
Hoe heerlijk klinken op de bergen
de voeten van de vreugdebode
die vrede brengt en alle goeds,
die uitredding verkondigt
en tot Sion zegt: jouw God is koning!
Hoor, een stem!
Je wachters zingen, samen jubelen zij,
want elk oog heeft gezien
dat de Eeuwige weerkeert naar Sion.
Breek uit in gejuich,
puinhopen van Jeruzalem
en barst uit in gejubel,
want Hij komt zijn volk vertroosten,
Jeruzalem brengt Hij verlossing.
Z'n mouwen heeft Hij opgestroopt
voor het oog van alle mensen;
tot aan de einden der aarde
wordt Gods verlossing gezien.
Toe maar, ga maar, ga maar weg;
raak wat onrein is niet aan;
trekt weg uit Babel,
neem een reinigingsbad jullie
die het tempelvaatwerk moeten dragen;
vertrek niet overhaast,
het is toch geen vluchten?!
De Eeuwige gaat voor je uit,
je achterhoede is Israëls God.
Mijn dienstknecht zal vol inzicht zijn,
op handen zal hij worden gedragen;
toch is zijn uiterlijk niet om aan te zien,
geen pronkstuk van een man zijn gestalte;
meer zoals jullie: ontstellend om aan te zien;
maar HIJ zal volkeren doen opspringen van vreugde,
koningen zullen verstomd staan;
ze zien wat hen nog nooit was verteld,
ze vernemen wat ze nog nooit hadden gehoord.
-
Regelmatig een bewerking van Jesaja, vrij vertaald uit de Hebreeuwse grondtekst
Waak op, wees sterk, o Sion,
bekleed je met pracht, Jeruzalem,
dat `heilige stad' wordt genoemd:
wie onbesneden is of onrein
komt niet bij jou binnen;
schud het stof van je af,
kom in beweging, ga zitten,
doe je halsketen af,
gevangen dochter van Sion!
Zo zegt de Eeuwige:
om niets werden jullie verkocht,
om niet worden jullie verlost;
mijn volk daalde ooit af naar Egypte
en leefde daar als vreemdeling;
ook Assur heeft het om niets onderdrukt.
Hoe heb Ik het nu, zegt de Eeuwige,
want om niets werd mijn volk meegenomen;
de overheersers hebben gejuicht,
dag aan dag beledigen ze mijn naam.
Maar mijn volk zal Mij leren kennen,
op een dag zullen ze weten
dat Ik het ben die zeg: zie, hier ben Ik.
Hoe heerlijk klinken op de bergen
de voeten van de vreugdebode
die vrede brengt en alle goeds,
die uitredding verkondigt
en tot Sion zegt: jouw God is koning!
Hoor, een stem!
Je wachters zingen, samen jubelen zij,
want elk oog heeft gezien
dat de Eeuwige weerkeert naar Sion.
Breek uit in gejuich,
puinhopen van Jeruzalem
en barst uit in gejubel,
want Hij komt zijn volk vertroosten,
Jeruzalem brengt Hij verlossing.
Z'n mouwen heeft Hij opgestroopt
voor het oog van alle mensen;
tot aan de einden der aarde
wordt Gods verlossing gezien.
Toe maar, ga maar, ga maar weg;
raak wat onrein is niet aan;
trekt weg uit Babel,
neem een reinigingsbad jullie
die het tempelvaatwerk moeten dragen;
vertrek niet overhaast,
het is toch geen vluchten?!
De Eeuwige gaat voor je uit,
je achterhoede is Israëls God.
Mijn dienstknecht zal vol inzicht zijn,
op handen zal hij worden gedragen;
toch is zijn uiterlijk niet om aan te zien,
geen pronkstuk van een man zijn gestalte;
meer zoals jullie: ontstellend om aan te zien;
maar HIJ zal volkeren doen opspringen van vreugde,
koningen zullen verstomd staan;
ze zien wat hen nog nooit was verteld,
ze vernemen wat ze nog nooit hadden gehoord.
-
16 juli 2010
Jesaja 51
-
Regelmatig een bewerking van Jesaja, vrij vertaald uit de Hebreeuwse grondtekst
Luister naar mij,
jullie die gerechtigheid nastreven,
jullie die God zoeken:
Abraham is jullie vader,
de rots, waaruit jullie gehakt zijn;
Sarah is jullie moeder,
de schacht waaruit jullie geboord zijn:
hen heb Ik geroepen, gezegend
en talrijk gemaakt.
De Eeuwige troost Sion
en al wat daarin verwoest is;
het zal weer worden als Eden,
de chaos wordt als de tuin van God;
blijheid en vreugde vind je daar,
lofgezang, stemmen die zingen.
Luister naar Mij, m'n volk
en spits je oren:
onderricht zal Ik geven,
de zetels van het recht vind je hier,
een licht voor de volken.
Mijn gerechtigheid komt eraan,
mijn bevrijding gaat erop uit,
met kracht leid Ik de volken,
verre landen zien naar Mij uit,
zij hopen op mijn krachtige hand.
Kijk op naar de hemel,
zie naar de aarde beneden:
de hemel waait voorbij als rook,
de aarde is vergankelijk als een kledingstuk,
haar bewoners sterven als muggen;
maar mijn uitredding is voorgoed,
mijn gerechtigheid is blijvend.
Luister naar mij, jullie
die weten wat gerechtigheid is,
die mijn Torah in je hart draagt:
wees niet bang voor de spot van stervelingen,
schrik niet van hun lasterpraat,
want ook zij vergaan als een kledingstuk
dat door de mot wordt opgevreten;
maar mijn gerechtigheid blijft,
mijn uitredding van geslacht tot geslacht.
Wek uw kracht, o Eeuwige,
net als voorheen;
hebt Gij niet de draak geveld,
en het monster doorboord?
Hebt Gij niet de zee drooggelegd,
het water van de grote vloed,
de diepzee begaanbaar gemaakt,
een doortocht voor de verlosten?
Die door God zijn vrijgekocht
keren jubelend naar Sion weer;
de vreugde is hen aan te zien,
ze zullen leven in blijheid en vreugde,
geen verdriet, geen zuchten zal er meer zijn;
Ik zal alle tranen van jullie ogen afwissen.
Waarom zou je voor een sterveling bang zijn,
voor een vergankelijk mensenkind?
Vergeet je soms God, die jou gemaakt heeft,
die de hemel heeft uitgespannen,
die voor de aarde het fundament heeft gelegd?
Waarom ben je verschrikt, heel de dag,
voor de boosheid van wie jou benauwen,
die van plan zijn jou te gronde te richten?
Wat blijft van die boosheid nu over?
Met haast zal de geboeide worden vrijgelaten;
hij zal niet voor z'n tijd sterven,
aan brood zal het hem niet ontbreken.
Ik, de Eeuwige, ben je God,
die de zee opzweep
en haar golven doe bruisen,
Ik, de eeuwig omschaarde.
Mijn woorden heb Ik in je mond gelegd,
met mijn hand heb Ik jou overschaduwd,
Ik, die de hemel heb uitgespannen
en voor de aarde het fundament heb gelegd
en tot Sion zeg: mijn volk ben jij!
Waak op, Jeruzalem, je hebt genoeg gedronken
uit de beker der gramschap, als uit zijn hand,
uit de kelk der bedwelming ad fundum.
Niemand van je kinderen heeft jou geleid,
niemand nam jou bij de hand
van de kinderen die jij grootbracht.
Dit is jou overkomen,
zonder dat iemand jou heeft beklaagd:
verwoesting, ondergang, honger en oorlog;
hoe kan Ik je troosten?
Je kinderen liggen uitgeteld neer
overal op de straten
als een gevangen wild schaap,
stil door het dreigen van je God.
Luister daarom, jij beklagenswaardige,
dronken (maar niet van de drank):
zo zegt de Eeuwige, je Heer en God,
die voor zijn volk opkomt:
de beker der bedwelming neem Ik van je weg,
de kelk van mijn gramschap
zul je niet langer drinken.
Die geef Ik door aan wie jou verachten,
die tot jou zeggen:
ga maar liggen, dan lopen wij over je heen
en jij lag op de grond,
je rug was het wegdek
waarover zij gingen.
-
Regelmatig een bewerking van Jesaja, vrij vertaald uit de Hebreeuwse grondtekst
Luister naar mij,
jullie die gerechtigheid nastreven,
jullie die God zoeken:
Abraham is jullie vader,
de rots, waaruit jullie gehakt zijn;
Sarah is jullie moeder,
de schacht waaruit jullie geboord zijn:
hen heb Ik geroepen, gezegend
en talrijk gemaakt.
De Eeuwige troost Sion
en al wat daarin verwoest is;
het zal weer worden als Eden,
de chaos wordt als de tuin van God;
blijheid en vreugde vind je daar,
lofgezang, stemmen die zingen.
Luister naar Mij, m'n volk
en spits je oren:
onderricht zal Ik geven,
de zetels van het recht vind je hier,
een licht voor de volken.
Mijn gerechtigheid komt eraan,
mijn bevrijding gaat erop uit,
met kracht leid Ik de volken,
verre landen zien naar Mij uit,
zij hopen op mijn krachtige hand.
Kijk op naar de hemel,
zie naar de aarde beneden:
de hemel waait voorbij als rook,
de aarde is vergankelijk als een kledingstuk,
haar bewoners sterven als muggen;
maar mijn uitredding is voorgoed,
mijn gerechtigheid is blijvend.
Luister naar mij, jullie
die weten wat gerechtigheid is,
die mijn Torah in je hart draagt:
wees niet bang voor de spot van stervelingen,
schrik niet van hun lasterpraat,
want ook zij vergaan als een kledingstuk
dat door de mot wordt opgevreten;
maar mijn gerechtigheid blijft,
mijn uitredding van geslacht tot geslacht.
Wek uw kracht, o Eeuwige,
net als voorheen;
hebt Gij niet de draak geveld,
en het monster doorboord?
Hebt Gij niet de zee drooggelegd,
het water van de grote vloed,
de diepzee begaanbaar gemaakt,
een doortocht voor de verlosten?
Die door God zijn vrijgekocht
keren jubelend naar Sion weer;
de vreugde is hen aan te zien,
ze zullen leven in blijheid en vreugde,
geen verdriet, geen zuchten zal er meer zijn;
Ik zal alle tranen van jullie ogen afwissen.
Waarom zou je voor een sterveling bang zijn,
voor een vergankelijk mensenkind?
Vergeet je soms God, die jou gemaakt heeft,
die de hemel heeft uitgespannen,
die voor de aarde het fundament heeft gelegd?
Waarom ben je verschrikt, heel de dag,
voor de boosheid van wie jou benauwen,
die van plan zijn jou te gronde te richten?
Wat blijft van die boosheid nu over?
Met haast zal de geboeide worden vrijgelaten;
hij zal niet voor z'n tijd sterven,
aan brood zal het hem niet ontbreken.
Ik, de Eeuwige, ben je God,
die de zee opzweep
en haar golven doe bruisen,
Ik, de eeuwig omschaarde.
Mijn woorden heb Ik in je mond gelegd,
met mijn hand heb Ik jou overschaduwd,
Ik, die de hemel heb uitgespannen
en voor de aarde het fundament heb gelegd
en tot Sion zeg: mijn volk ben jij!
Waak op, Jeruzalem, je hebt genoeg gedronken
uit de beker der gramschap, als uit zijn hand,
uit de kelk der bedwelming ad fundum.
Niemand van je kinderen heeft jou geleid,
niemand nam jou bij de hand
van de kinderen die jij grootbracht.
Dit is jou overkomen,
zonder dat iemand jou heeft beklaagd:
verwoesting, ondergang, honger en oorlog;
hoe kan Ik je troosten?
Je kinderen liggen uitgeteld neer
overal op de straten
als een gevangen wild schaap,
stil door het dreigen van je God.
Luister daarom, jij beklagenswaardige,
dronken (maar niet van de drank):
zo zegt de Eeuwige, je Heer en God,
die voor zijn volk opkomt:
de beker der bedwelming neem Ik van je weg,
de kelk van mijn gramschap
zul je niet langer drinken.
Die geef Ik door aan wie jou verachten,
die tot jou zeggen:
ga maar liggen, dan lopen wij over je heen
en jij lag op de grond,
je rug was het wegdek
waarover zij gingen.
-
10 juli 2010
Jesaja 50
-
Regelmatig een bewerking van Jesaja, vrij vertaald uit de Hebreeuwse grondtekst.
Zo zegt de Heer:
is het mijn schuld dat je moeder weg is gestuurd?
Of heb Ik jullie soms aan mijn schuldeisers verkocht?
Om je eigen onrecht ben je verkocht,
om jullie overtredingen werd je moeder weggestuurd.
Waarom was er niemand toen Ik kwam?
Waarom antwoordde niemand toen Ik riep?
Is mijn hand soms te kort om redding te brengen?
Heb Ik soms geen kracht om uitkomst te bieden?
Als Ik dreigend blaas valt de zee droog,
woeste rivieren worden woestijn,
hun bedding vol rottende vis, die doodgaat zonder water;
de hemel hult zich in 't zwart, zak en as is hun kleding.
De Heer heeft mij gegeven als zijn leerling te spreken,
teneinde te weten hoe je een zwakke daadwerkelijk steunt.
Hij opent mijn oor vroeg in de morgen;
Hij spreekt en ik hoor; Hij opent mijn oor;
ik verzette mij niet en ging het niet uit de weg;
zo bood ik mijn rug aan wie mij sloegen,
mijn kin aan wie m'n baard plukten,
mijn gelaat aan wie op mij spuugden;
ik verborg mijn aangezicht niet.
God is mijn helper, daarom voel ik mij niet veracht;
ik hield mij goed, ik wist dat ik niet beschaamd uit zou komen.
Nabij is God die mij recht doet; wie wil met mij twisten?
Laten we ons samen opstellen; wie gaat er over mijn recht?
Laat die bij mij komen!
De Here, de Eeuwige is mijn helper; wie wil mij goddeloos behandelen?
Die vergaan als een kledingstuk: de mot vreet hen op.
Wie van jullie vreest God en hoort naar zijn knecht?
Moet je door een diep duister,
waar geen enkel licht door lijkt te dringen,
vertrouw dan op God; op je God mag je steunen.
Jullie die de vuren opstookt
en met brandende pijlen ons aanvalt,
moge je omkomen in je eigen vuur
en ten onder gaan door je brandende pijlen;
als het aan mij ligt gebeurt jullie dit,
dat je in helse pijnen terneer ligt.
-
Regelmatig een bewerking van Jesaja, vrij vertaald uit de Hebreeuwse grondtekst.
Zo zegt de Heer:
is het mijn schuld dat je moeder weg is gestuurd?
Of heb Ik jullie soms aan mijn schuldeisers verkocht?
Om je eigen onrecht ben je verkocht,
om jullie overtredingen werd je moeder weggestuurd.
Waarom was er niemand toen Ik kwam?
Waarom antwoordde niemand toen Ik riep?
Is mijn hand soms te kort om redding te brengen?
Heb Ik soms geen kracht om uitkomst te bieden?
Als Ik dreigend blaas valt de zee droog,
woeste rivieren worden woestijn,
hun bedding vol rottende vis, die doodgaat zonder water;
de hemel hult zich in 't zwart, zak en as is hun kleding.
De Heer heeft mij gegeven als zijn leerling te spreken,
teneinde te weten hoe je een zwakke daadwerkelijk steunt.
Hij opent mijn oor vroeg in de morgen;
Hij spreekt en ik hoor; Hij opent mijn oor;
ik verzette mij niet en ging het niet uit de weg;
zo bood ik mijn rug aan wie mij sloegen,
mijn kin aan wie m'n baard plukten,
mijn gelaat aan wie op mij spuugden;
ik verborg mijn aangezicht niet.
God is mijn helper, daarom voel ik mij niet veracht;
ik hield mij goed, ik wist dat ik niet beschaamd uit zou komen.
Nabij is God die mij recht doet; wie wil met mij twisten?
Laten we ons samen opstellen; wie gaat er over mijn recht?
Laat die bij mij komen!
De Here, de Eeuwige is mijn helper; wie wil mij goddeloos behandelen?
Die vergaan als een kledingstuk: de mot vreet hen op.
Wie van jullie vreest God en hoort naar zijn knecht?
Moet je door een diep duister,
waar geen enkel licht door lijkt te dringen,
vertrouw dan op God; op je God mag je steunen.
Jullie die de vuren opstookt
en met brandende pijlen ons aanvalt,
moge je omkomen in je eigen vuur
en ten onder gaan door je brandende pijlen;
als het aan mij ligt gebeurt jullie dit,
dat je in helse pijnen terneer ligt.
-
28 juni 2010
Jesaja 49
-
Regelmatig een bewerking van Jesaja, vrij vertaald uit de Hebreeuwse grondtekst.
Luister naar mij, landen aan de kust,
en let op, volkeren van verre:
van de moederschoot af heeft Hij mij geroepen,
van jongsaf aan gedenkt Hij mijn naam;
scherp als een zwaard is mijn mond,
een bijzondere pijl op zijn boog;
Hij houdt mij verborgen,
ik ben zijn knecht;
Hij hoopt op mij.
Ik zei: alle moeite is tevergeefs,
verspilling van energie;
maar Hij doet mij recht
en beloont mij.
Zo zegt de verlosser van Israël
In de vrije natuur zullen ze weiden,
Al zouden moeders hun kinderen vergeten,
Zo zegt de Eeuwige:
Regelmatig een bewerking van Jesaja, vrij vertaald uit de Hebreeuwse grondtekst.
Luister naar mij, landen aan de kust,
en let op, volkeren van verre:
van de moederschoot af heeft Hij mij geroepen,
van jongsaf aan gedenkt Hij mijn naam;
scherp als een zwaard is mijn mond,
een bijzondere pijl op zijn boog;
Hij houdt mij verborgen,
ik ben zijn knecht;
Hij hoopt op mij.
Ik zei: alle moeite is tevergeefs,
verspilling van energie;
maar Hij doet mij recht
en beloont mij.
Nu zegt Hij die mij
vanaf het begin tot zijn dienst heeft geroepen
om Israël terug te voeren tot Hem
(Hij prees mij en gaf mij kracht):
je roeping is méér dan alleen
Israël terug te doen keren;
Ik maak je een licht van de volken,
mijn redding gaat tot de einden der aarde.
Zo zegt de verlosser van Israël
tot alle vertrapten van ziel,
tot het uitschot der volken,
tot de slaven van heersers:
koningen die dit zien, zullen opstaan,
machtigen zullen zich buigen
vanwege de trouw van God,
die jou heeft uitgekozen.
Zo zegt de Heer:
toen het erom ging te doen
waarin Ik welbehagen heb,
gaf Ik je antwoord;
toen het erom ging hen te redden,
heb Ik je geholpen;
Ik zal met je zijn,
jij bindt hen samen
om het land te doen herrijzen,
om wat in puin ligt tot erfgoed te maken,
om tot wie gevangen zit te zeggen:
ga naar buiten!
en tot wie in duisternis leven:
kom naar het licht!
In de vrije natuur zullen ze weiden,
op kale heuvels vinden ze grazige weiden;
geen honger meer en geen dorst,
het gloeiende zand of de zon schaadt hen niet,
want Ik zal hen leiden
naar bronnen van levend water;
de bergen maak Ik begaanbaar,
verzakte wegen verhoog Ik;
van overal zullen ze komen,
hoe ver het ook zijn mag:
uit het Noorden en van de zee,
uit het land der Sinieten.
Jubelt, hemelen en juicht, gij aarde,
weest vrolijk en jubelt, gij bergen,
want getroost heeft God zijn volk
en over de ellendigen zich ontfermd;
soms zeg je: God heeft mij verlaten,
Hij heeft mij vergeten ‑
zou ooit een vrouw vergeten
't kind dat ze in zich droeg,
er niet van willen weten
wanneer het naar haar vroeg?
Al zouden moeders hun kinderen vergeten,
Ik zal jou niét vergeten, o Israël!
Je staat in mijn handpalm geschreven,
Ik denk steeds aan jou;
je kinderen komen spoedig thuis;
je vijanden gaan er vandoor;
kijk om je heen, zie ze komen,
ze groeperen zich en komen eraan,
jou tot sieraad,
als het feestkleed van een bruid.
heel dit verwoeste en vernielde land
zal te klein zijn voor alle bewoners,
nu de vijanden weg zijn;
kinderen die je verloren waande
zeggen nu in je oor:
deze plek is te klein,
rek het op, dat ik kan wonen!
Verbaast zul je zeggen:
wie heeft mij deze kinderen gegeven?
Kinderloos bleef ik,
als een onvruchtbare vrouw,
verbannen, verjaagd;
wie bracht hen groot?
Ik was toch alleen overgebleven?
Waar waren ze dan?
Zo zegt de Eeuwige:
Ik steek mijn hand op naar de volken
ten teken dat ze je kinderen brengen,
je zonen op hun arm,
je dochters op hun schouder.
Koningen zullen hier kraamzuster zijn,
machtige vrouwen je voedster;
tot op de grond buigen zij voor je neer,
het stof van je voeten zullen ze likken;
zo zul je weten dat ik de Eeuwige ben;
wie op Mij hoopt, wordt nimmer beschaamd.
Kun je een held z'n buit afnemen,
of zullen wie terecht gevangen zijn,
kunnen ontkomen?
Ja, zelfs als gevangenen mochten ontkomen
of van een geweldig man de buit wordt afgepakt,
maar wie ruzie zoekt met jou,
krijgt met MIJ te maken;
Ik zàl je kinderen redden, hoe dan ook!
Wie jou verdrukten zullen nu hun eigen vlees eten,
hun eigen bloed drinken ‑ niet dat van jou;
en al wat leeft zal weten dat Ik, de Eeuwige,
jou bevrijd en verlost,
Ik, de kracht van Jakob.
-
15 juni 2010
Jesaja 48
-
Regelmatig een bewerking van Jesaja, vrij vertaald uit de Hebreeuwse grondtekst.
Luister, huis van Jakob,
die jullie tooien met de naam Israël,
die door de Jordaan zijt uitgetrokken,
die zweren bij de naam van God
en zegt Hem te gedenken,
maar niet in het echt,
niet door rechtvaardig te leven;
je noemt je naar Jeruzalem,
je steunt op de God van Israël,
de Eeuwige, God van de machten.
Altijd al heb Ik gezegd
wat stond te gebeuren,
Ik heb m'n stem laten horen
en plotseling is het zover,
is het over je gekomen;
omdat ik wist dat je hardleers bent
en ook nog hardnekkig en bot,
dáárom heb Ik het tevoren gezegd
en het vooraf doen horen,
zodat je niet kunt zeggen:
dat komt door het lot, of:
dat hebben de goden geboden.
Je had het gehoord, kijk nu maar:
je kunt het zelf ook wel zeggen:
van nu af doe Ik totaal nieuwe dingen horen,
dingen die verborgen waren;
je kende ze niet;
NU breng Ik het scheppend tot stand
het is niet van vroeger,
niet van gisteren of van vandaag
zodat je ervan had kunnen weten;
bovendien heb je nooit geluisterd,
heb je nooit wíllen weten,
heb je je oren nooit opengesteld.
Ik wist dat jij ontrouw bent,
een overtreder van jongsaf aan;
vanwege wie Ik ben, zal Ik je sparen,
omwille van mijn eer houd Ik mij in,
want anders zou ik je wegslaan;
Ik heb je gelouterd, beproefd,
maar niet als zilver:
in de vuuroven van de ellende
deed Ik je gaan,
omdat je mijn naam
zo totaal hebt ontwijd
en toch geef Ik mijn eer
niet aan een ander!
Luister naar mij, Jakob,
en Israël, die Ik heb geroepen;
Ik ben de Alfa en de Omega;
met eigen hand heb Ik de aarde gegrondvest,
mijn rechterhand spande de hemelen uit;
als Ik ze roep, blijven ze samen stilstaan.
Kom allemaal hier en luister:
wie van hen heeft dit ooit aangekondigd?
De uitverkorene van God
zal zijn voornemen aan Babel volvoeren,
zijn macht laten voelen aan de Chaldeeën.
Ik, Ik heb het gezegd,
Ik heb hem geroepen,
Ik heb hem doen komen;
zijn opdracht zal lukken.
Kom allemaal hier en luister:
nooit heb Ik in 't verborgen gesproken,
toen het begon was Ik daar;
Nu heeft de Here God mij gezonden
met de kracht van zijn Geest;
zo zegt de Eeuwige die jou gered heeft:
ik ben je leermeester op weg naar het heil,
Ik wijs welke weg je zult gaan;
als je acht sloeg op mijn geboden:
je vrede zou zijn als een rivier,
je rechtvaardigheid als de golven der zee;
je nageslacht zou zijn als het zand,
wat uit jou voortkomt als zandkorrels zoveel;
géén uitroeiing en geen verdelging van hun naam
voor mijn aangezicht meer!
Trekt weg nu, uit Babel,
kondigt het jubelend aan,
laat het de windstreken horen;
doe het de aarde verstaan:
God heeft ons wedergeboren!
Gaande door de woestijn
lijden zij geen dorst;
Hij doet water stromen voor hen,
water uit de flank van een rots:
Hij splijt de rots
en de wateren vloeien
maar geen vrede is er
voor de schoften goddeloos.
-
Regelmatig een bewerking van Jesaja, vrij vertaald uit de Hebreeuwse grondtekst.
Luister, huis van Jakob,
die jullie tooien met de naam Israël,
die door de Jordaan zijt uitgetrokken,
die zweren bij de naam van God
en zegt Hem te gedenken,
maar niet in het echt,
niet door rechtvaardig te leven;
je noemt je naar Jeruzalem,
je steunt op de God van Israël,
de Eeuwige, God van de machten.
Altijd al heb Ik gezegd
wat stond te gebeuren,
Ik heb m'n stem laten horen
en plotseling is het zover,
is het over je gekomen;
omdat ik wist dat je hardleers bent
en ook nog hardnekkig en bot,
dáárom heb Ik het tevoren gezegd
en het vooraf doen horen,
zodat je niet kunt zeggen:
dat komt door het lot, of:
dat hebben de goden geboden.
Je had het gehoord, kijk nu maar:
je kunt het zelf ook wel zeggen:
van nu af doe Ik totaal nieuwe dingen horen,
dingen die verborgen waren;
je kende ze niet;
NU breng Ik het scheppend tot stand
het is niet van vroeger,
niet van gisteren of van vandaag
zodat je ervan had kunnen weten;
bovendien heb je nooit geluisterd,
heb je nooit wíllen weten,
heb je je oren nooit opengesteld.
Ik wist dat jij ontrouw bent,
een overtreder van jongsaf aan;
vanwege wie Ik ben, zal Ik je sparen,
omwille van mijn eer houd Ik mij in,
want anders zou ik je wegslaan;
Ik heb je gelouterd, beproefd,
maar niet als zilver:
in de vuuroven van de ellende
deed Ik je gaan,
omdat je mijn naam
zo totaal hebt ontwijd
en toch geef Ik mijn eer
niet aan een ander!
Luister naar mij, Jakob,
en Israël, die Ik heb geroepen;
Ik ben de Alfa en de Omega;
met eigen hand heb Ik de aarde gegrondvest,
mijn rechterhand spande de hemelen uit;
als Ik ze roep, blijven ze samen stilstaan.
Kom allemaal hier en luister:
wie van hen heeft dit ooit aangekondigd?
De uitverkorene van God
zal zijn voornemen aan Babel volvoeren,
zijn macht laten voelen aan de Chaldeeën.
Ik, Ik heb het gezegd,
Ik heb hem geroepen,
Ik heb hem doen komen;
zijn opdracht zal lukken.
Kom allemaal hier en luister:
nooit heb Ik in 't verborgen gesproken,
toen het begon was Ik daar;
Nu heeft de Here God mij gezonden
met de kracht van zijn Geest;
zo zegt de Eeuwige die jou gered heeft:
ik ben je leermeester op weg naar het heil,
Ik wijs welke weg je zult gaan;
als je acht sloeg op mijn geboden:
je vrede zou zijn als een rivier,
je rechtvaardigheid als de golven der zee;
je nageslacht zou zijn als het zand,
wat uit jou voortkomt als zandkorrels zoveel;
géén uitroeiing en geen verdelging van hun naam
voor mijn aangezicht meer!
Trekt weg nu, uit Babel,
kondigt het jubelend aan,
laat het de windstreken horen;
doe het de aarde verstaan:
God heeft ons wedergeboren!
Gaande door de woestijn
lijden zij geen dorst;
Hij doet water stromen voor hen,
water uit de flank van een rots:
Hij splijt de rots
en de wateren vloeien
maar geen vrede is er
voor de schoften goddeloos.
-
7 juni 2010
Jesaja 47
-
Regelmatig een bewerking van Jesaja, vrij vertaald uit de Hebreeuwse grondtekst.
Zet je neer in het stof,
dochter van Babel,
zo op de grond, zonder stoel;
je deftigheid is voorbij,
je moet aan het werk:
maal het meel met de hand,
hang je avondkleed aan de wilgen,
stroop je broekspijpen op:
je moet over rivieren heen,
naakt en bloot,
zodat je je schaamt.
Ik neem wraak,
Ik zal niemand ontzien,
Ik, die Israël verlos.
Hou maar je mond
en mijd het daglicht,
dochter van de Chaldeeën,
niet langer heers jij
over veel rijken.
Toen ik woedend was op mijn volk
heb Ik m'n erfdeel ontwijd
door het jou in handen te geven;
en jij, je had geen erbarmen,
je juk drukte zwaar, ook op de ouden;
je zei: voor altijd zal ik heersen
maar je dacht er niet aan
dat jouw einde ook komt.
Welnu luister, wellustige:
je woont zo veilig
dat je bij jezelf zegt:
ik ben het, en verder niemand;
weduwe zal ik niet worden,
kinderloos zal ik niet zijn
ja, dat dàcht je!
Plotseling, op één dag,
zal dit jou overkomen:
dat je weduwe wordt
en zonder kinderen blijft, helemaal.
En dit òndanks je toverkunsten,
ondanks je overvloed aan magie;
voor jou stond vast dat je slecht was,
je zei: niemand ziet mij of kent mij.
Maar al je kennis heeft jou misleid,
zodat je bij jezelf zei:
Ik, ik alleen ben het,
en verder geen.
Nu treft jou het kwaad,
je weet niet waar je 't moet zoeken
nu overkomt jou een ramp,
die je niet meer kunt keren,
een plotselinge vernietiging
waarvan je niet wist dat dat kon.
Hou maar vast aan je magie
en aan je vele toverkunsten
waarmee je je al bezig houdt
vanaf je jeugd;
misschien ben je nog nuttig,
misschien schokt het anderen wakker;
je had grootse plannen
laat nu dan de sterrenwichelaars
en de horoscooptrekkers je redden,
zij die elke maand zeggen
wat jou zal gebeuren;
maar ze zijn als stro:
vuur verbrandt hen,
ze ontkomen niet aan de vlammen
maar het is koudvuur:
je warmt je er niet aan;
zóveel doen ze voor jou,
je compagnons vanaf je jeugd,
voor wie je je zo ingezet hebt:
ze dolen wat rond,
en niet één die jou redt...
-
Regelmatig een bewerking van Jesaja, vrij vertaald uit de Hebreeuwse grondtekst.
Zet je neer in het stof,
dochter van Babel,
zo op de grond, zonder stoel;
je deftigheid is voorbij,
je moet aan het werk:
maal het meel met de hand,
hang je avondkleed aan de wilgen,
stroop je broekspijpen op:
je moet over rivieren heen,
naakt en bloot,
zodat je je schaamt.
Ik neem wraak,
Ik zal niemand ontzien,
Ik, die Israël verlos.
Hou maar je mond
en mijd het daglicht,
dochter van de Chaldeeën,
niet langer heers jij
over veel rijken.
Toen ik woedend was op mijn volk
heb Ik m'n erfdeel ontwijd
door het jou in handen te geven;
en jij, je had geen erbarmen,
je juk drukte zwaar, ook op de ouden;
je zei: voor altijd zal ik heersen
maar je dacht er niet aan
dat jouw einde ook komt.
Welnu luister, wellustige:
je woont zo veilig
dat je bij jezelf zegt:
ik ben het, en verder niemand;
weduwe zal ik niet worden,
kinderloos zal ik niet zijn
ja, dat dàcht je!
Plotseling, op één dag,
zal dit jou overkomen:
dat je weduwe wordt
en zonder kinderen blijft, helemaal.
En dit òndanks je toverkunsten,
ondanks je overvloed aan magie;
voor jou stond vast dat je slecht was,
je zei: niemand ziet mij of kent mij.
Maar al je kennis heeft jou misleid,
zodat je bij jezelf zei:
Ik, ik alleen ben het,
en verder geen.
Nu treft jou het kwaad,
je weet niet waar je 't moet zoeken
nu overkomt jou een ramp,
die je niet meer kunt keren,
een plotselinge vernietiging
waarvan je niet wist dat dat kon.
Hou maar vast aan je magie
en aan je vele toverkunsten
waarmee je je al bezig houdt
vanaf je jeugd;
misschien ben je nog nuttig,
misschien schokt het anderen wakker;
je had grootse plannen
laat nu dan de sterrenwichelaars
en de horoscooptrekkers je redden,
zij die elke maand zeggen
wat jou zal gebeuren;
maar ze zijn als stro:
vuur verbrandt hen,
ze ontkomen niet aan de vlammen
maar het is koudvuur:
je warmt je er niet aan;
zóveel doen ze voor jou,
je compagnons vanaf je jeugd,
voor wie je je zo ingezet hebt:
ze dolen wat rond,
en niet één die jou redt...
-
29 mei 2010
Jesaja 46
-
Regelmatig een bewerking van Jesaja, vrij vertaald uit de Hebreeuwse grondtekst.
Hoe zijn zij gevallen, je goden!
een prooi voor het wild en het vee;
zij zouden jou dragen;
nu moeten zijzelf worden gedragen,
een zware last voor een ezel.
Omgevallen en ter aarde gestort,
niemand kon ze meer redden,
ze zitten muurvast.
Luister naar mij, huis van Jakob,
en wat rest van het huis Israël:
van kindsbeen af heb Ik jou gedragen,
ja van de moederschoot af;
tot je oud bent en grijs
zal Ik je dragen, zoals hiervoor,
Ik zal je optillen en redden.
Met wie wil je mij vergelijken,
met wie in één rij zetten ?
Die lui schudden geld uit hun beurs,
wegen zilver af op de weegschaal,
zoeken een goudsmid
die maakt er een God van,
waarvoor ze buigen en knielen.
Ze houden processie, ze dragen hem,
zetten hem neer op z'n plek;
zelf komt hij niet in beweging;
roep je tot hem,
dan geeft hij geen antwoord,
uit je ellende redt hij je niet.
Denkt hieraan en weest sterk
en neemt dit ter harte:
denk maar aan het begin, aan de oertijd
geen God is er, geen als Ik
ik heb het tevoren gezegd;
wat nog komt heb Ik al verkondigd.
Uiteindelijk gaat mijn heil in vervulling,
mijn welbehagen zal Ik volvoeren,
Ik, die uit een ver land een roofvogel roep,
een man voor mijn plan;
Ik heb het gezegd; zo zal het gebeuren;
het idee is van mij, dus zal Ik het doen.
Luister naar mij, jullie hooghartigen,
die niet eens van gerechtigheid wéten:
Ik doe mijn gerechtigheid komen;
het is niet meer ver;
vrede en heil blijven niet achter:
Ik geef Sion mijn heil,
aan Israël mijn eer.
-
Regelmatig een bewerking van Jesaja, vrij vertaald uit de Hebreeuwse grondtekst.
Hoe zijn zij gevallen, je goden!
een prooi voor het wild en het vee;
zij zouden jou dragen;
nu moeten zijzelf worden gedragen,
een zware last voor een ezel.
Omgevallen en ter aarde gestort,
niemand kon ze meer redden,
ze zitten muurvast.
Luister naar mij, huis van Jakob,
en wat rest van het huis Israël:
van kindsbeen af heb Ik jou gedragen,
ja van de moederschoot af;
tot je oud bent en grijs
zal Ik je dragen, zoals hiervoor,
Ik zal je optillen en redden.
Met wie wil je mij vergelijken,
met wie in één rij zetten ?
Die lui schudden geld uit hun beurs,
wegen zilver af op de weegschaal,
zoeken een goudsmid
die maakt er een God van,
waarvoor ze buigen en knielen.
Ze houden processie, ze dragen hem,
zetten hem neer op z'n plek;
zelf komt hij niet in beweging;
roep je tot hem,
dan geeft hij geen antwoord,
uit je ellende redt hij je niet.
Denkt hieraan en weest sterk
en neemt dit ter harte:
denk maar aan het begin, aan de oertijd
geen God is er, geen als Ik
ik heb het tevoren gezegd;
wat nog komt heb Ik al verkondigd.
Uiteindelijk gaat mijn heil in vervulling,
mijn welbehagen zal Ik volvoeren,
Ik, die uit een ver land een roofvogel roep,
een man voor mijn plan;
Ik heb het gezegd; zo zal het gebeuren;
het idee is van mij, dus zal Ik het doen.
Luister naar mij, jullie hooghartigen,
die niet eens van gerechtigheid wéten:
Ik doe mijn gerechtigheid komen;
het is niet meer ver;
vrede en heil blijven niet achter:
Ik geef Sion mijn heil,
aan Israël mijn eer.
-
21 mei 2010
Jesaja 45
-
Regelmatig een bewerking van Jesaja, vrij vertaald uit de Hebreeuwse grondtekst.
Zo zegt de Eeuwige tot zijn Messias,
tot Kores, zijn gezalfde:
Ik heb hem in dienst genomen
om volken te onderwerpen;
alle deuren gaan voor hem open,
geen poort blijft gesloten,
want ikzelf ga voor jou uit;
hindernissen breek Ik weg,
koperen deuren breek Ik open,
grendels van ijzer verbreek Ik;
alles wat in de kluizen ligt opgeslagen,
schatten in het donker,
Ik geef dit alles aan jou
opdat je weet dat Ik het ben,
de God van Israël,
die jou bij je naam heb geroepen.
Ik gaf je een opdracht, een roeping
omwille van Israël, mijn knecht;
Ik gaf je een erenaam,
hoewel jij mij niet kende;
Ik nam je in dienst,
maar je kende mij niet
opdat Oost en West het moge weten:
Ik ben de enige God en de Eeuwige;
buiten Mij is er geen
die licht schept en duister,
vrede en ook het boze
Ik doe dit alles.
Gij hemelen, geeft uw dauw op aarde
en uit de wolken de rechtvaardige:
de aarde gaat open,
het heil draagt vrucht;
gerechtigheid bloeit op
Ik heb het geschapen!
Wee degene die strijdt met z'n boetseerder
als scherf tussen de scherven:
roept soms de klei
de pottenbakker ter verantwoording,
of wat je gemaakt hebt, zegt dat:
hij heeft twee linkerhanden?
Je zegt toch niet tot je vader:
wat heb je verwekt,
of tot een vrouw:
waarom heb je weeën?
Zo zegt de God van Israël:
vraag maar aan mij
wat de toekomst is van mijn zonen,
van het werk van mijn handen;
toe maar, doe het maar!
Ik immers heb de aarde gemaakt,
de mensen daarop geschapen,
eigenhandig de hemelen uitgebogen,
al wat leeft in het aanzijn geroepen.
Nu heb Ik hem doen opstaan
om gerechtigheid te stichten;
Ik zal zijn paden effenen;
hij zal mijn stad herbouwen,
de ballingen terugkeren laten
zonder dat hij er iets voor ontvangt,
zonder dat hij er iets voor vraagt.
De schatten van Egypte,
de handel van Ethiopië en Saba
het zal voor jullie zijn;
hun aanzienlijken zullen tot je komen
en achter je aangaan,
geboeid en geketend;
ze buigen voor je en zeggen:
waarlijk, bij jullie vind je de enige God,
er is geen ander,
hoe verborgen hij ook mag zijn,
de bevrijder van Israël.
De makers van godenbeelden
zullen beschaamd staan,
want Israël wordt bevrijd door Hem,
met een bevrijding voorgoed:
jullie staan zeker niét beschaamd!
Want zó zegt de Eeuwige,
die de hemelen schiep en de aarde gemaakt heeft:
niet tot een chaos heb Ik haar geschapen,
maar om er te wonen
zó is er geen ander!
Ook heb ik niet in geheimtaal gesproken,
in het geheim, in het donker;
Ik heb niet tot Jakob gezegd:
als jullie me zoeken, bekijk het maar
nee, Ik ben het
die vertel wat rechtvaardig is
en die meld wat rechtmatig is.
Kom maar hier, kom maar kijken,
jullie die zijn ontkomen:
wie op beelden vertrouwen,
die bidden tot een God die niet redt.
Heb Ik het al niet altijd gezegd?
Denk maar na, ga maar na,
kom maar met argumenten,
zeg maar op: ben Ik het niet,
de Eeuwige en de Enige,
die rechtvaardig is en die uitredt?!
Komt allen tot Mij,
en Ik red je uit,
gij einden der aarde,
want Ik, Ik ben het,
er is geen ander.
Ik heb gezworen
en daar blijf Ik bij
dat alle knie zich zal buigen
en elke tong zal belijden:
de Heer, onze God, de Heer is één,
bij Hem is recht en macht;
Hij is de koning der wereld.
Allen zullen tot Hem komen
en wie tegen Hem opstonden,
staan nu beschaamd.
In Hem zal heel Israël
eindelijk tot z'n recht komen
en zich gelukkig prijzen.
-
Regelmatig een bewerking van Jesaja, vrij vertaald uit de Hebreeuwse grondtekst.
Zo zegt de Eeuwige tot zijn Messias,
tot Kores, zijn gezalfde:
Ik heb hem in dienst genomen
om volken te onderwerpen;
alle deuren gaan voor hem open,
geen poort blijft gesloten,
want ikzelf ga voor jou uit;
hindernissen breek Ik weg,
koperen deuren breek Ik open,
grendels van ijzer verbreek Ik;
alles wat in de kluizen ligt opgeslagen,
schatten in het donker,
Ik geef dit alles aan jou
opdat je weet dat Ik het ben,
de God van Israël,
die jou bij je naam heb geroepen.
Ik gaf je een opdracht, een roeping
omwille van Israël, mijn knecht;
Ik gaf je een erenaam,
hoewel jij mij niet kende;
Ik nam je in dienst,
maar je kende mij niet
opdat Oost en West het moge weten:
Ik ben de enige God en de Eeuwige;
buiten Mij is er geen
die licht schept en duister,
vrede en ook het boze
Ik doe dit alles.
Gij hemelen, geeft uw dauw op aarde
en uit de wolken de rechtvaardige:
de aarde gaat open,
het heil draagt vrucht;
gerechtigheid bloeit op
Ik heb het geschapen!
Wee degene die strijdt met z'n boetseerder
als scherf tussen de scherven:
roept soms de klei
de pottenbakker ter verantwoording,
of wat je gemaakt hebt, zegt dat:
hij heeft twee linkerhanden?
Je zegt toch niet tot je vader:
wat heb je verwekt,
of tot een vrouw:
waarom heb je weeën?
Zo zegt de God van Israël:
vraag maar aan mij
wat de toekomst is van mijn zonen,
van het werk van mijn handen;
toe maar, doe het maar!
Ik immers heb de aarde gemaakt,
de mensen daarop geschapen,
eigenhandig de hemelen uitgebogen,
al wat leeft in het aanzijn geroepen.
Nu heb Ik hem doen opstaan
om gerechtigheid te stichten;
Ik zal zijn paden effenen;
hij zal mijn stad herbouwen,
de ballingen terugkeren laten
zonder dat hij er iets voor ontvangt,
zonder dat hij er iets voor vraagt.
De schatten van Egypte,
de handel van Ethiopië en Saba
het zal voor jullie zijn;
hun aanzienlijken zullen tot je komen
en achter je aangaan,
geboeid en geketend;
ze buigen voor je en zeggen:
waarlijk, bij jullie vind je de enige God,
er is geen ander,
hoe verborgen hij ook mag zijn,
de bevrijder van Israël.
De makers van godenbeelden
zullen beschaamd staan,
want Israël wordt bevrijd door Hem,
met een bevrijding voorgoed:
jullie staan zeker niét beschaamd!
Want zó zegt de Eeuwige,
die de hemelen schiep en de aarde gemaakt heeft:
niet tot een chaos heb Ik haar geschapen,
maar om er te wonen
zó is er geen ander!
Ook heb ik niet in geheimtaal gesproken,
in het geheim, in het donker;
Ik heb niet tot Jakob gezegd:
als jullie me zoeken, bekijk het maar
nee, Ik ben het
die vertel wat rechtvaardig is
en die meld wat rechtmatig is.
Kom maar hier, kom maar kijken,
jullie die zijn ontkomen:
wie op beelden vertrouwen,
die bidden tot een God die niet redt.
Heb Ik het al niet altijd gezegd?
Denk maar na, ga maar na,
kom maar met argumenten,
zeg maar op: ben Ik het niet,
de Eeuwige en de Enige,
die rechtvaardig is en die uitredt?!
Komt allen tot Mij,
en Ik red je uit,
gij einden der aarde,
want Ik, Ik ben het,
er is geen ander.
Ik heb gezworen
en daar blijf Ik bij
dat alle knie zich zal buigen
en elke tong zal belijden:
de Heer, onze God, de Heer is één,
bij Hem is recht en macht;
Hij is de koning der wereld.
Allen zullen tot Hem komen
en wie tegen Hem opstonden,
staan nu beschaamd.
In Hem zal heel Israël
eindelijk tot z'n recht komen
en zich gelukkig prijzen.
-
17 mei 2010
Jesaja 44
-
Regelmatig een bewerking van Jesaja, vrij vertaald uit de Hebreeuwse grondtekst.
Luister nu o Jakob, mijn knecht,
Israël, dat Ik uitkoos;
dit zegt je boetseerder en helper
van de moederschoot af:
wees maar niet bang, want
zoals Ik water uitstort op dorstig land,
zodat er beken ontstaan op het droge,
zo giet Ik mijn Geest uit over je kinderen
en stort Ik mijn zegen uit op je nakomelingen;
tussen het onkruid schieten ze op
als wilgen langs helder water;
hun naam en mijn naam
zijn voor altijd verbonden;
Ik ben de Alfa en de Omega,
er is geen andere God.
Wie is als Ik?
Met wie moet Ik worden vergeleken?
Wie kan van zichzelf zeggen
wat Ik heb gedaan:
een volk gecreëerd, vanouds.
Wie kan de toekomst voorspellen?
Schrik dus maar niet, wees niet bang,
heb Ik het je al niet altijd gezegd?
Jullie zijn mijn getuigen!
Bestaat er nog een andere God,
rotsvast betrouwbaar?
Die moest Ik toch kennen?!
Die makers van beelden zijn bezig met niks,
ze kunnen toch beter weten?!
Wie doet dat nou: beelden maken
die nutteloos zijn?
Het zijn gewoon handwersklieden,
mensen als iedereen;
waar zijn ze mee bezig?
Roep ze maar hier,
laat ze maar komen;
ze zullen beschaamd staan.
De smid smeedt de beitels
tot hij erbij neervalt,
de schrijnwerker tekent en schaaft,
tot het beeld op een mens lijkt
het liefst op een man
en plaatst het dan in een huisje.
Ze kappen er bomen voor om
die in het bos groot zijn geworden,
in regen en wind;
ze dienen tot brandhout,
het gaat in de kachel
of ook in de oven;
zo bakt hij z'n brood.
Van de rest maakt hij een godsbeeld
en knielt ervoor neer;
op de houtskool roostert hij vlees,
eet zich vol en wordt warm.
Van de rest maakt hij een godsbeeld
en knielt ervoor neer en zegt:
Gij moet mij redden, Gij zijt mijn God!
Zien ze dit niet in?
Zitten hun ogen en harten zó dicht,
dat ze dit niet begrijpen?
Komt het niet in hen op om te zeggen:
een deel stookte ik op in het vuur,
ik bakte er brood op,
roosterde vlees op de houtskool
en verwerkte de rest tot een God,
zodat ik voor een stuk hout ben gevallen?
Hun hart bedriegt hen;
ze redden het niet, tenzij ze zeggen:
bedrieg ik mezelf niet?
Denk hieraan, Jakob,
en Israël, mijn knecht;
Ik heb jùllie gemaakt,
je wordt door mij niet vergeten!
Je overtredingen veeg ik weg
als condens van een raam,
als een mistbank veeg Ik die weg;
maar keer je dan ook om tot Mij,
want Ik ben je redder.
Jubelt, hemelen en juicht, gij aarde,
want Hij heeft Jakob verlost,
aan Israël zich verheerlijkt.
Zo spreekt Hij,
die je in de moederschoot heeft gevormd:
Ik heb dit alles gemaakt:
de hemel uitgespannen, alleen,
de aarde uitgebouwd, op eigen kracht;
leugenprofeten en waarzeggers
wijs Ik terecht,
wijzen ontmasker Ik als dwazen;
maar het woord van mijn knecht
en het bericht van mijn boden,
dat doe Ik gestand:
Jeruzalem zal worden bewoond,
de steden van Juda worden herbouwd,
uit z'n puinhopen zal het herrijzen,
zowaar als Ik de afgrond kan laten verdrogen
en rivieren zonder water doen staan.
Zo zeker is Kores mijn herder,
die uitvoert wat mij behaagt,
zodat Jeruzalem wordt herbouwd
en het fundament voor de tempel gelegd.
-
Regelmatig een bewerking van Jesaja, vrij vertaald uit de Hebreeuwse grondtekst.
Luister nu o Jakob, mijn knecht,
Israël, dat Ik uitkoos;
dit zegt je boetseerder en helper
van de moederschoot af:
wees maar niet bang, want
zoals Ik water uitstort op dorstig land,
zodat er beken ontstaan op het droge,
zo giet Ik mijn Geest uit over je kinderen
en stort Ik mijn zegen uit op je nakomelingen;
tussen het onkruid schieten ze op
als wilgen langs helder water;
hun naam en mijn naam
zijn voor altijd verbonden;
Ik ben de Alfa en de Omega,
er is geen andere God.
Wie is als Ik?
Met wie moet Ik worden vergeleken?
Wie kan van zichzelf zeggen
wat Ik heb gedaan:
een volk gecreëerd, vanouds.
Wie kan de toekomst voorspellen?
Schrik dus maar niet, wees niet bang,
heb Ik het je al niet altijd gezegd?
Jullie zijn mijn getuigen!
Bestaat er nog een andere God,
rotsvast betrouwbaar?
Die moest Ik toch kennen?!
Die makers van beelden zijn bezig met niks,
ze kunnen toch beter weten?!
Wie doet dat nou: beelden maken
die nutteloos zijn?
Het zijn gewoon handwersklieden,
mensen als iedereen;
waar zijn ze mee bezig?
Roep ze maar hier,
laat ze maar komen;
ze zullen beschaamd staan.
De smid smeedt de beitels
tot hij erbij neervalt,
de schrijnwerker tekent en schaaft,
tot het beeld op een mens lijkt
het liefst op een man
en plaatst het dan in een huisje.
Ze kappen er bomen voor om
die in het bos groot zijn geworden,
in regen en wind;
ze dienen tot brandhout,
het gaat in de kachel
of ook in de oven;
zo bakt hij z'n brood.
Van de rest maakt hij een godsbeeld
en knielt ervoor neer;
op de houtskool roostert hij vlees,
eet zich vol en wordt warm.
Van de rest maakt hij een godsbeeld
en knielt ervoor neer en zegt:
Gij moet mij redden, Gij zijt mijn God!
Zien ze dit niet in?
Zitten hun ogen en harten zó dicht,
dat ze dit niet begrijpen?
Komt het niet in hen op om te zeggen:
een deel stookte ik op in het vuur,
ik bakte er brood op,
roosterde vlees op de houtskool
en verwerkte de rest tot een God,
zodat ik voor een stuk hout ben gevallen?
Hun hart bedriegt hen;
ze redden het niet, tenzij ze zeggen:
bedrieg ik mezelf niet?
Denk hieraan, Jakob,
en Israël, mijn knecht;
Ik heb jùllie gemaakt,
je wordt door mij niet vergeten!
Je overtredingen veeg ik weg
als condens van een raam,
als een mistbank veeg Ik die weg;
maar keer je dan ook om tot Mij,
want Ik ben je redder.
Jubelt, hemelen en juicht, gij aarde,
want Hij heeft Jakob verlost,
aan Israël zich verheerlijkt.
Zo spreekt Hij,
die je in de moederschoot heeft gevormd:
Ik heb dit alles gemaakt:
de hemel uitgespannen, alleen,
de aarde uitgebouwd, op eigen kracht;
leugenprofeten en waarzeggers
wijs Ik terecht,
wijzen ontmasker Ik als dwazen;
maar het woord van mijn knecht
en het bericht van mijn boden,
dat doe Ik gestand:
Jeruzalem zal worden bewoond,
de steden van Juda worden herbouwd,
uit z'n puinhopen zal het herrijzen,
zowaar als Ik de afgrond kan laten verdrogen
en rivieren zonder water doen staan.
Zo zeker is Kores mijn herder,
die uitvoert wat mij behaagt,
zodat Jeruzalem wordt herbouwd
en het fundament voor de tempel gelegd.
-
11 mei 2010
Jesaja 43
-
Maar nu zegt je schepper, o Jakob,
en je vormgever, o Israël:
vrees niet, Ik heb je gered,
Ik heb je bij je naam geroepen,
jij hoort bij mij;
al moet je door diep water,
Ik ga met je mee,
rivieren spoelen jou niet weg;
al moet je door het vuur,
de vlam verteert je niet
want Ik, de Eeuwige, ben je God,
de God van Israël, je bevrijder;
anderen geef Ik als losgeld voor jou,
omdat je kostbaar bent in m'n ogen,
Ik heb je lief!
Alles wat me lief is
ben Ik bereid op te geven voor jou!
Vrees niet, Ik ben met je,
van overal breng Ik je kinderen thuis,
uit alle windstreken, van de einden der aarde.
Wie het niet zien wil of horen
breng ze naar buiten,
volkeren uit alle landen;
ouwe koek vertellen ze ons;
laten ze komen met hun getuigen,
dan zien we of het terecht is;
ze horen het en zeggen dan:
wis en waarachtig!
Jullie zijn mijn getuigen,
dat jullie het in mogen zien
en Mij zult vertrouwen:
dat Ik het ben, de enige en de Eeuwige;
voor mij of na mij is er geen God,
geen God die bevrijdt.
Ik kondig het aan, Ik bevrijd,
Ik laat het je weten
zodat het niemand meer vreemd is;
jullie zijn mijn getuigen:
Ik ben het; niemand redt uit mijn hand
en wat Ik doe: wie houdt het tegen?
Zo zegt jullie Redder:
Ik stuur iemand naar Babel om jullie te redden,
zodat de Chaldeeën allemaal vluchten
op hun trotse schepen.
Ik ben het, de Eeuwige, jullie heilige,
schepper van Israël, jullie koning,
die een weg door de zee maak,
een doorgang door de wateren,
die legers laat uitrukken
en machteloos maakt: niks kunnen ze meer.
Vergelijk het niet met vroeger,
want zie, Ik laat iets nieuws beginnen;
het is al begonnen; merk je het niet?
Ik maak wegen in de woestijn,
waterstromen in de steppe;
al wat daar leeft prijst mijn naam:
water gaf Ik in de woestijn
om mijn lieve volk te drinken te geven;
dit volk heb Ik zelf vormgegeven,
Mij zullen ze loven en prijzen.
Niet heb jij Mij geroepen, o Jakob,
of voor mij moeite gedaan, Israël!
Offers kreeg Ik niet, die hoefde Ik niet,
Ik viel je niet lastig om wierook;
geurbundels gaf je Mij niet,
vette spijs gaf je Mij niet te eten;
met je zonden viel je Mij lastig,
met je onrecht vermoeide je Mij;
maar Ik doe ze weg, om Mijnentwil,
aan je zonden zal Ik niet denken.
Vergeet Ik iets? Zullen we procederen?
Doe je verhaal,
dan zien we wel wie gelijk heeft!
Je voorgeslacht heeft al gezondigd,
je voormannen waren al overtreders;
daarom gaf Ik vorsten prijs,
gaf Ik Jakob en Israël over aan laster.
-
Maar nu zegt je schepper, o Jakob,
en je vormgever, o Israël:
vrees niet, Ik heb je gered,
Ik heb je bij je naam geroepen,
jij hoort bij mij;
al moet je door diep water,
Ik ga met je mee,
rivieren spoelen jou niet weg;
al moet je door het vuur,
de vlam verteert je niet
want Ik, de Eeuwige, ben je God,
de God van Israël, je bevrijder;
anderen geef Ik als losgeld voor jou,
omdat je kostbaar bent in m'n ogen,
Ik heb je lief!
Alles wat me lief is
ben Ik bereid op te geven voor jou!
Vrees niet, Ik ben met je,
van overal breng Ik je kinderen thuis,
uit alle windstreken, van de einden der aarde.
Wie het niet zien wil of horen
breng ze naar buiten,
volkeren uit alle landen;
ouwe koek vertellen ze ons;
laten ze komen met hun getuigen,
dan zien we of het terecht is;
ze horen het en zeggen dan:
wis en waarachtig!
Jullie zijn mijn getuigen,
dat jullie het in mogen zien
en Mij zult vertrouwen:
dat Ik het ben, de enige en de Eeuwige;
voor mij of na mij is er geen God,
geen God die bevrijdt.
Ik kondig het aan, Ik bevrijd,
Ik laat het je weten
zodat het niemand meer vreemd is;
jullie zijn mijn getuigen:
Ik ben het; niemand redt uit mijn hand
en wat Ik doe: wie houdt het tegen?
Zo zegt jullie Redder:
Ik stuur iemand naar Babel om jullie te redden,
zodat de Chaldeeën allemaal vluchten
op hun trotse schepen.
Ik ben het, de Eeuwige, jullie heilige,
schepper van Israël, jullie koning,
die een weg door de zee maak,
een doorgang door de wateren,
die legers laat uitrukken
en machteloos maakt: niks kunnen ze meer.
Vergelijk het niet met vroeger,
want zie, Ik laat iets nieuws beginnen;
het is al begonnen; merk je het niet?
Ik maak wegen in de woestijn,
waterstromen in de steppe;
al wat daar leeft prijst mijn naam:
water gaf Ik in de woestijn
om mijn lieve volk te drinken te geven;
dit volk heb Ik zelf vormgegeven,
Mij zullen ze loven en prijzen.
Niet heb jij Mij geroepen, o Jakob,
of voor mij moeite gedaan, Israël!
Offers kreeg Ik niet, die hoefde Ik niet,
Ik viel je niet lastig om wierook;
geurbundels gaf je Mij niet,
vette spijs gaf je Mij niet te eten;
met je zonden viel je Mij lastig,
met je onrecht vermoeide je Mij;
maar Ik doe ze weg, om Mijnentwil,
aan je zonden zal Ik niet denken.
Vergeet Ik iets? Zullen we procederen?
Doe je verhaal,
dan zien we wel wie gelijk heeft!
Je voorgeslacht heeft al gezondigd,
je voormannen waren al overtreders;
daarom gaf Ik vorsten prijs,
gaf Ik Jakob en Israël over aan laster.
-
4 mei 2010
Jesaja 42
-
Hij is mijn knecht, die Ik bescherm,
mijn geliefde, in wie Ik een welbehagen heb;
mijn Geest is op hem
om het recht naar de volken te brengen.
Niet zo een die steeds schreeuwt,
of zich boven anderen verheft
of alleen maar op straat is te vinden;
het kwetsbare zal hij niet breken,
het kleinste vlammetje niet doven.
Waarlijk, hij brengt het recht
zonder verslapping, je houdt hem niet tegen
tot hij gerechtigheid heeft gesticht;
verre landen zien uit naar zijn wetten en regels.
Zo zegt de Heer, de schepper van hemel en aarde,
die mijn adem geef aan al wat leeft,
mijn levensgeest aan wie er wonen:
om recht te doen heb Ik je geroepen,
Ik zal je behoeden en maken
tot de garant van mijn volk,
en een licht voor alle volken:
je opent blinden de ogen,
je laat gevangenen vrij
en wie in duisternis leven, komen eruit
zowaar Ik leef, zegt de Heer;
want wat Ik vroeger zei kwam al uit,
maar nu wil Ik je nieuwe dingen doen horen
vóór ze gebeuren.
Zingt voor de Heer een nieuw gezang,
zingt z'n lof, gij einden der aarde,
wie vaart over zee,
bewoners van heel verre landen;
dat de steden van de woestijn
en de bewoners der bergen
de Eeuwige prijzen en zijn lof zullen zingen
tot in verre landen.
Hij trekt uit als een held,
als een veteraan moedigt hij aan,
de strijdkreet klinkt luid,
hij vreest niet voor zijn vijand.
Al die tijd heb Ik gezwegen,
me ingehouden, niks gezegd
maar nu zal Ik schreeuwen
als een vrouw die een kind baart,
blazend en happend naar lucht, tegelijk.
Bergen en heuvels verschroei Ik,
al wat daar groeit zal verdorren,
rivieren worden als land,
poelen vallen droog.
Blinden breng Ik op een weg
die zij niet kenden,
op ongebaande wegen
doe Ik hen gaan;
hun duisternis
maak Ik voor hen tot een licht,
struikelpaden
maak Ik voor hen vlak
réken daarop!
Wie op goden vertrouwen,
beschaamd komen zij uit.
Luister, jullie doven!
Kom kijken, gij blinden!
Wie is er hier blind,
zo blind als mijn knecht,
zo doof als de bode
die Ik heb gezonden?!
Veel hebben jullie gezien,
maar het niet ter harte genomen;
je had de oren open,
maar hebt niet gehoord:
zijn grote plan was het
om zijn Thora groot te maken
omwille van gerechtigheid en recht;
maar nu is dit volk beroofd en geplunderd,
ze zitten vastgebonden in holen,
weggestopt in gevangenissen;
niemand kwam helpen,
niemand die zei: geef terug!
Maar begrijpen jullie het?
Heb je het door, nu en voortaan?
Wie geeft Jakob uit handen,
wie geeft Israël prijs?
Is het de Eeuwige niet,
tegen wie wij hebben gezondigd,
op wiens weg wij niet wilden gaan,
naar wiens Wet wij niet hoorden?
Dáárom werd Hij woedend op hen
en stuurde de oorlog;
en ondanks dat al begrepen zij het niet;
woedend was Hij,
maar ze namen het niet ter harte.
-
Hij is mijn knecht, die Ik bescherm,
mijn geliefde, in wie Ik een welbehagen heb;
mijn Geest is op hem
om het recht naar de volken te brengen.
Niet zo een die steeds schreeuwt,
of zich boven anderen verheft
of alleen maar op straat is te vinden;
het kwetsbare zal hij niet breken,
het kleinste vlammetje niet doven.
Waarlijk, hij brengt het recht
zonder verslapping, je houdt hem niet tegen
tot hij gerechtigheid heeft gesticht;
verre landen zien uit naar zijn wetten en regels.
Zo zegt de Heer, de schepper van hemel en aarde,
die mijn adem geef aan al wat leeft,
mijn levensgeest aan wie er wonen:
om recht te doen heb Ik je geroepen,
Ik zal je behoeden en maken
tot de garant van mijn volk,
en een licht voor alle volken:
je opent blinden de ogen,
je laat gevangenen vrij
en wie in duisternis leven, komen eruit
zowaar Ik leef, zegt de Heer;
want wat Ik vroeger zei kwam al uit,
maar nu wil Ik je nieuwe dingen doen horen
vóór ze gebeuren.
Zingt voor de Heer een nieuw gezang,
zingt z'n lof, gij einden der aarde,
wie vaart over zee,
bewoners van heel verre landen;
dat de steden van de woestijn
en de bewoners der bergen
de Eeuwige prijzen en zijn lof zullen zingen
tot in verre landen.
Hij trekt uit als een held,
als een veteraan moedigt hij aan,
de strijdkreet klinkt luid,
hij vreest niet voor zijn vijand.
Al die tijd heb Ik gezwegen,
me ingehouden, niks gezegd
maar nu zal Ik schreeuwen
als een vrouw die een kind baart,
blazend en happend naar lucht, tegelijk.
Bergen en heuvels verschroei Ik,
al wat daar groeit zal verdorren,
rivieren worden als land,
poelen vallen droog.
Blinden breng Ik op een weg
die zij niet kenden,
op ongebaande wegen
doe Ik hen gaan;
hun duisternis
maak Ik voor hen tot een licht,
struikelpaden
maak Ik voor hen vlak
réken daarop!
Wie op goden vertrouwen,
beschaamd komen zij uit.
Luister, jullie doven!
Kom kijken, gij blinden!
Wie is er hier blind,
zo blind als mijn knecht,
zo doof als de bode
die Ik heb gezonden?!
Veel hebben jullie gezien,
maar het niet ter harte genomen;
je had de oren open,
maar hebt niet gehoord:
zijn grote plan was het
om zijn Thora groot te maken
omwille van gerechtigheid en recht;
maar nu is dit volk beroofd en geplunderd,
ze zitten vastgebonden in holen,
weggestopt in gevangenissen;
niemand kwam helpen,
niemand die zei: geef terug!
Maar begrijpen jullie het?
Heb je het door, nu en voortaan?
Wie geeft Jakob uit handen,
wie geeft Israël prijs?
Is het de Eeuwige niet,
tegen wie wij hebben gezondigd,
op wiens weg wij niet wilden gaan,
naar wiens Wet wij niet hoorden?
Dáárom werd Hij woedend op hen
en stuurde de oorlog;
en ondanks dat al begrepen zij het niet;
woedend was Hij,
maar ze namen het niet ter harte.
-
17 april 2010
Jesaja 41
-
Regelmatig een bewerking van Jesaja, vrij vertaald uit de Hebreeuwse grondtekst.
Jesaja 41
Wees stil voor Mij, verre landen,
haal maar diep adem, kom dichterbij,
zullen we zien wie hier in z'n recht staat.
Wie heeft die `rechtvaardige'
uit het Oosten doen komen,
die volkeren prijsgeeft en koningen afzet,
hen najaagt op het pad van de vrede,
een pad dat ook hij nog niet kende?
Wie doet dit, wie zit hier achter?
Die jullie vanaf het begin heeft geroepen,
Ik ben het, de Alfa en de Omega.
Verre landen zagen het en werden bang;
ze beefden, ze kwamen bijeen,
ze helpen elkaar en zeggen nu: sterkte!
Dat wenst ook de vakman de godsmid,
die slaat op het aambeeld
en het vastzet met pinnen
zodat het niet wankelt.
Maar jij, Israël, mijn knecht,
nageslacht van Abraham mijn minnaar,
jou heb ik in de kraag gevat,
geroepen vanaf de overkant
tot jou zeg Ik: jij bent mijn knecht,
mijn oog viel op jou;
vrees niet, Ik ben met je,
wees maar niet bang, want Ik ben je God;
Ik heb je gesteund en geholpen,
je bij de hand gepakt.
Wie tegen jou tekeer gaan,
komen beschaamd uit;
wie ruzie zoeken met jou
gaan het verliezen;
denk je `Waar zijn ze?'
dan vind je ze nergens,
want Ik, Ik ben je God,
die jou bij de hand pakt,
die jou zal helpen
wees dus niet bang!
Jùllie zullen hen maaien, hen dorsen,
hoe hoog of verheven ze ook mogen zijn,
je zeeft hen;
als kaf neemt de wind hen dan mee;
wanneer dorstigen zoeken naar water,
dan geef Ik antwoord,
Ik verlaat jullie niet:
van de heuvels stroomt neer het water,
bronnen gaan open in de vallei,
de woestijn wordt één waterplas,
het droge land tot sprengen en beken.
De woestijn wordt een tuin
vol met de heerlijkste bomen,
de een naast de ander
in de hoop dat ze in zullen zien
dat Israëls God dit gedaan heeft,
dat zijn hand dit heeft geschapen.
Zoek je ruzie: kom dan dichterbij,
kom op met je argumenten;
leg uit wat gebeurt,
verklaar het verleden,
voorspel eens de toekomst!
Nee, doe eens iets goeds en iets kwaads,
waarvan we opkijken en vol ontzag zijn,
dat we denken: het zijn toch haast góden!
Maar jullie zijn niks, zinloze niksen,
en jullie kùnnen ook niks.
Ik roep iemand uit het Noorden,
die 's morgens mijn naam al aanroept;
machtigen vertreedt hij als bagger,
als een boetseerder vertrapt hij de klei.
Wie heeft dat van den beginne verteld
en van tevoren gezegd, zodat jullie 't beamen?
Toch niemand, die tot jullie spreekt?
Een blijde mare stuur Ik op je af,
Jeruzalem, dochter van Sion:
niemand aan wie Ik iets te vragen zou hebben,
niemand ook, die antwoorden zou;
zij immers zijn niets,
niks zijn hun daden,
leegte en wind zijn hun goden.
-
Regelmatig een bewerking van Jesaja, vrij vertaald uit de Hebreeuwse grondtekst.
Jesaja 41
Wees stil voor Mij, verre landen,
haal maar diep adem, kom dichterbij,
zullen we zien wie hier in z'n recht staat.
Wie heeft die `rechtvaardige'
uit het Oosten doen komen,
die volkeren prijsgeeft en koningen afzet,
hen najaagt op het pad van de vrede,
een pad dat ook hij nog niet kende?
Wie doet dit, wie zit hier achter?
Die jullie vanaf het begin heeft geroepen,
Ik ben het, de Alfa en de Omega.
Verre landen zagen het en werden bang;
ze beefden, ze kwamen bijeen,
ze helpen elkaar en zeggen nu: sterkte!
Dat wenst ook de vakman de godsmid,
die slaat op het aambeeld
en het vastzet met pinnen
zodat het niet wankelt.
Maar jij, Israël, mijn knecht,
nageslacht van Abraham mijn minnaar,
jou heb ik in de kraag gevat,
geroepen vanaf de overkant
tot jou zeg Ik: jij bent mijn knecht,
mijn oog viel op jou;
vrees niet, Ik ben met je,
wees maar niet bang, want Ik ben je God;
Ik heb je gesteund en geholpen,
je bij de hand gepakt.
Wie tegen jou tekeer gaan,
komen beschaamd uit;
wie ruzie zoeken met jou
gaan het verliezen;
denk je `Waar zijn ze?'
dan vind je ze nergens,
want Ik, Ik ben je God,
die jou bij de hand pakt,
die jou zal helpen
wees dus niet bang!
Jùllie zullen hen maaien, hen dorsen,
hoe hoog of verheven ze ook mogen zijn,
je zeeft hen;
als kaf neemt de wind hen dan mee;
wanneer dorstigen zoeken naar water,
dan geef Ik antwoord,
Ik verlaat jullie niet:
van de heuvels stroomt neer het water,
bronnen gaan open in de vallei,
de woestijn wordt één waterplas,
het droge land tot sprengen en beken.
De woestijn wordt een tuin
vol met de heerlijkste bomen,
de een naast de ander
in de hoop dat ze in zullen zien
dat Israëls God dit gedaan heeft,
dat zijn hand dit heeft geschapen.
Zoek je ruzie: kom dan dichterbij,
kom op met je argumenten;
leg uit wat gebeurt,
verklaar het verleden,
voorspel eens de toekomst!
Nee, doe eens iets goeds en iets kwaads,
waarvan we opkijken en vol ontzag zijn,
dat we denken: het zijn toch haast góden!
Maar jullie zijn niks, zinloze niksen,
en jullie kùnnen ook niks.
Ik roep iemand uit het Noorden,
die 's morgens mijn naam al aanroept;
machtigen vertreedt hij als bagger,
als een boetseerder vertrapt hij de klei.
Wie heeft dat van den beginne verteld
en van tevoren gezegd, zodat jullie 't beamen?
Toch niemand, die tot jullie spreekt?
Een blijde mare stuur Ik op je af,
Jeruzalem, dochter van Sion:
niemand aan wie Ik iets te vragen zou hebben,
niemand ook, die antwoorden zou;
zij immers zijn niets,
niks zijn hun daden,
leegte en wind zijn hun goden.
-
7 april 2010
Jesaja 40
-
Regelmatig een bewerking van Jesaja, vrij vertaald uit de Hebreeuwse grondtekst.
Jesaja 40
Zo zegt God: troost mijn volk,
zeg haar dat de strijd voorbij is
en het onrecht geboet.
Maak in de woestijn een weg voor de Eeuwige,
een rechte baan voor onze God!
Til op wat nederig is,
haal omlaag alles wat hoog is;
dan zal Gods heerlijkheid komen
en zal ieder het zien.
Kondig het aan!
Ja, maar wat?
Dat al wat leeft is als het gras:
het gras verdort, de bloem valt af
alleen Gods woord houdt stand.
Klim op een hoge berg
om de blijde boodschap te melden,
zeg tot Jeruzalem en tot de steden van Juda:
Hij komt! Hij komt met kracht,
met loon, met vergelding.
Als schapen zal Hij je hoeden,
de lammetjes dragen,
zorgvuldig zal Hij je leiden.
Met wie wil je Hem vergelijken?
De oceanen mat Hij af in z'n holle hand,
de hemelen nam Hij de maat met de vingers,
bergen en heuvelen woog Hij af op een weegschaal;
bij wie moest Hij te rade gaan,
met wie overleg plegen?
Volken zijn als een druppel water,
eilanden als gruis dat verwaait,
het regenwoud zou niet genoeg zijn voor een brandoffer,
al het wild niet genoeg voor een spijsoffer.
Met wie wil je Hem vergelijken?
Met zo'n hardhouten beeld,
door een vakman gemaakt en met goud overtrokken
en onbeweeglijk vastgezet op een voetstuk?
Hebben jullie het echt niet door?
Heb je geen enkel inzicht?
God woont ver boven de aarde,
de hemel is Hem als een tent;
machtigen stoot Hij van hun tronen,
Hij blaast en ze verdrogen,
als stro waaien ze weg.
Met wie wil je Mij vergelijken?
Kijk om je heen;
wie heeft dit alles geschapen?
Wie kent en roept hen bij name?
Hij, de sterke, die zorgt dat er geen ontbreekt.
Hebben jullie het echt niet door?
Heb je geen enkel inzicht?
Hij is God, voor altijd,
schepper van de einden der aarde;
zelf wordt Hij niet moe, niet afgemat;
Hij geeft juist kracht aan wie moe is
en wie machteloos is, geeft Hij macht;
ook jonge mensen worden moe
en struikelen soms;
maar wie Hem verwachten,
vinden nieuwe kracht;
ze stijgen op als op adelaarsvleugels,
snellen voort en worden niet moe,
ze gaan door en raken niet afgemat.
-
Regelmatig een bewerking van Jesaja, vrij vertaald uit de Hebreeuwse grondtekst.
Jesaja 40
Zo zegt God: troost mijn volk,
zeg haar dat de strijd voorbij is
en het onrecht geboet.
Maak in de woestijn een weg voor de Eeuwige,
een rechte baan voor onze God!
Til op wat nederig is,
haal omlaag alles wat hoog is;
dan zal Gods heerlijkheid komen
en zal ieder het zien.
Kondig het aan!
Ja, maar wat?
Dat al wat leeft is als het gras:
het gras verdort, de bloem valt af
alleen Gods woord houdt stand.
Klim op een hoge berg
om de blijde boodschap te melden,
zeg tot Jeruzalem en tot de steden van Juda:
Hij komt! Hij komt met kracht,
met loon, met vergelding.
Als schapen zal Hij je hoeden,
de lammetjes dragen,
zorgvuldig zal Hij je leiden.
Met wie wil je Hem vergelijken?
De oceanen mat Hij af in z'n holle hand,
de hemelen nam Hij de maat met de vingers,
bergen en heuvelen woog Hij af op een weegschaal;
bij wie moest Hij te rade gaan,
met wie overleg plegen?
Volken zijn als een druppel water,
eilanden als gruis dat verwaait,
het regenwoud zou niet genoeg zijn voor een brandoffer,
al het wild niet genoeg voor een spijsoffer.
Met wie wil je Hem vergelijken?
Met zo'n hardhouten beeld,
door een vakman gemaakt en met goud overtrokken
en onbeweeglijk vastgezet op een voetstuk?
Hebben jullie het echt niet door?
Heb je geen enkel inzicht?
God woont ver boven de aarde,
de hemel is Hem als een tent;
machtigen stoot Hij van hun tronen,
Hij blaast en ze verdrogen,
als stro waaien ze weg.
Met wie wil je Mij vergelijken?
Kijk om je heen;
wie heeft dit alles geschapen?
Wie kent en roept hen bij name?
Hij, de sterke, die zorgt dat er geen ontbreekt.
Hebben jullie het echt niet door?
Heb je geen enkel inzicht?
Hij is God, voor altijd,
schepper van de einden der aarde;
zelf wordt Hij niet moe, niet afgemat;
Hij geeft juist kracht aan wie moe is
en wie machteloos is, geeft Hij macht;
ook jonge mensen worden moe
en struikelen soms;
maar wie Hem verwachten,
vinden nieuwe kracht;
ze stijgen op als op adelaarsvleugels,
snellen voort en worden niet moe,
ze gaan door en raken niet afgemat.
-
Abonneren op:
Posts (Atom)









