-
Regelmatig een bewerking van Jesaja, vrij vertaald uit de Hebreeuwse grondtekst
Luister naar mij,
jullie die gerechtigheid nastreven,
jullie die God zoeken:
Abraham is jullie vader,
de rots, waaruit jullie gehakt zijn;
Sarah is jullie moeder,
de schacht waaruit jullie geboord zijn:
hen heb Ik geroepen, gezegend
en talrijk gemaakt.
De Eeuwige troost Sion
en al wat daarin verwoest is;
het zal weer worden als Eden,
de chaos wordt als de tuin van God;
blijheid en vreugde vind je daar,
lofgezang, stemmen die zingen.
Luister naar Mij, m'n volk
en spits je oren:
onderricht zal Ik geven,
de zetels van het recht vind je hier,
een licht voor de volken.
Mijn gerechtigheid komt eraan,
mijn bevrijding gaat erop uit,
met kracht leid Ik de volken,
verre landen zien naar Mij uit,
zij hopen op mijn krachtige hand.
Kijk op naar de hemel,
zie naar de aarde beneden:
de hemel waait voorbij als rook,
de aarde is vergankelijk als een kledingstuk,
haar bewoners sterven als muggen;
maar mijn uitredding is voorgoed,
mijn gerechtigheid is blijvend.
Luister naar mij, jullie
die weten wat gerechtigheid is,
die mijn Torah in je hart draagt:
wees niet bang voor de spot van stervelingen,
schrik niet van hun lasterpraat,
want ook zij vergaan als een kledingstuk
dat door de mot wordt opgevreten;
maar mijn gerechtigheid blijft,
mijn uitredding van geslacht tot geslacht.
Wek uw kracht, o Eeuwige,
net als voorheen;
hebt Gij niet de draak geveld,
en het monster doorboord?
Hebt Gij niet de zee drooggelegd,
het water van de grote vloed,
de diepzee begaanbaar gemaakt,
een doortocht voor de verlosten?
Die door God zijn vrijgekocht
keren jubelend naar Sion weer;
de vreugde is hen aan te zien,
ze zullen leven in blijheid en vreugde,
geen verdriet, geen zuchten zal er meer zijn;
Ik zal alle tranen van jullie ogen afwissen.
Waarom zou je voor een sterveling bang zijn,
voor een vergankelijk mensenkind?
Vergeet je soms God, die jou gemaakt heeft,
die de hemel heeft uitgespannen,
die voor de aarde het fundament heeft gelegd?
Waarom ben je verschrikt, heel de dag,
voor de boosheid van wie jou benauwen,
die van plan zijn jou te gronde te richten?
Wat blijft van die boosheid nu over?
Met haast zal de geboeide worden vrijgelaten;
hij zal niet voor z'n tijd sterven,
aan brood zal het hem niet ontbreken.
Ik, de Eeuwige, ben je God,
die de zee opzweep
en haar golven doe bruisen,
Ik, de eeuwig omschaarde.
Mijn woorden heb Ik in je mond gelegd,
met mijn hand heb Ik jou overschaduwd,
Ik, die de hemel heb uitgespannen
en voor de aarde het fundament heb gelegd
en tot Sion zeg: mijn volk ben jij!
Waak op, Jeruzalem, je hebt genoeg gedronken
uit de beker der gramschap, als uit zijn hand,
uit de kelk der bedwelming ad fundum.
Niemand van je kinderen heeft jou geleid,
niemand nam jou bij de hand
van de kinderen die jij grootbracht.
Dit is jou overkomen,
zonder dat iemand jou heeft beklaagd:
verwoesting, ondergang, honger en oorlog;
hoe kan Ik je troosten?
Je kinderen liggen uitgeteld neer
overal op de straten
als een gevangen wild schaap,
stil door het dreigen van je God.
Luister daarom, jij beklagenswaardige,
dronken (maar niet van de drank):
zo zegt de Eeuwige, je Heer en God,
die voor zijn volk opkomt:
de beker der bedwelming neem Ik van je weg,
de kelk van mijn gramschap
zul je niet langer drinken.
Die geef Ik door aan wie jou verachten,
die tot jou zeggen:
ga maar liggen, dan lopen wij over je heen
en jij lag op de grond,
je rug was het wegdek
waarover zij gingen.
-
16 juli 2010
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)

Geen opmerkingen:
Een reactie posten