Regelmatig een bewerking van Jesaja, vrij vertaald uit de Hebreeuwse grondtekst.
Luister naar mij, landen aan de kust,
en let op, volkeren van verre:
van de moederschoot af heeft Hij mij geroepen,
van jongsaf aan gedenkt Hij mijn naam;
scherp als een zwaard is mijn mond,
een bijzondere pijl op zijn boog;
Hij houdt mij verborgen,
ik ben zijn knecht;
Hij hoopt op mij.
Ik zei: alle moeite is tevergeefs,
verspilling van energie;
maar Hij doet mij recht
en beloont mij.
Nu zegt Hij die mij
vanaf het begin tot zijn dienst heeft geroepen
om Israël terug te voeren tot Hem
(Hij prees mij en gaf mij kracht):
je roeping is méér dan alleen
Israël terug te doen keren;
Ik maak je een licht van de volken,
mijn redding gaat tot de einden der aarde.
Zo zegt de verlosser van Israël
tot alle vertrapten van ziel,
tot het uitschot der volken,
tot de slaven van heersers:
koningen die dit zien, zullen opstaan,
machtigen zullen zich buigen
vanwege de trouw van God,
die jou heeft uitgekozen.
Zo zegt de Heer:
toen het erom ging te doen
waarin Ik welbehagen heb,
gaf Ik je antwoord;
toen het erom ging hen te redden,
heb Ik je geholpen;
Ik zal met je zijn,
jij bindt hen samen
om het land te doen herrijzen,
om wat in puin ligt tot erfgoed te maken,
om tot wie gevangen zit te zeggen:
ga naar buiten!
en tot wie in duisternis leven:
kom naar het licht!
In de vrije natuur zullen ze weiden,
op kale heuvels vinden ze grazige weiden;
geen honger meer en geen dorst,
het gloeiende zand of de zon schaadt hen niet,
want Ik zal hen leiden
naar bronnen van levend water;
de bergen maak Ik begaanbaar,
verzakte wegen verhoog Ik;
van overal zullen ze komen,
hoe ver het ook zijn mag:
uit het Noorden en van de zee,
uit het land der Sinieten.
Jubelt, hemelen en juicht, gij aarde,
weest vrolijk en jubelt, gij bergen,
want getroost heeft God zijn volk
en over de ellendigen zich ontfermd;
soms zeg je: God heeft mij verlaten,
Hij heeft mij vergeten ‑
zou ooit een vrouw vergeten
't kind dat ze in zich droeg,
er niet van willen weten
wanneer het naar haar vroeg?
Al zouden moeders hun kinderen vergeten,
Ik zal jou niét vergeten, o Israël!
Je staat in mijn handpalm geschreven,
Ik denk steeds aan jou;
je kinderen komen spoedig thuis;
je vijanden gaan er vandoor;
kijk om je heen, zie ze komen,
ze groeperen zich en komen eraan,
jou tot sieraad,
als het feestkleed van een bruid.
heel dit verwoeste en vernielde land
zal te klein zijn voor alle bewoners,
nu de vijanden weg zijn;
kinderen die je verloren waande
zeggen nu in je oor:
deze plek is te klein,
rek het op, dat ik kan wonen!
Verbaast zul je zeggen:
wie heeft mij deze kinderen gegeven?
Kinderloos bleef ik,
als een onvruchtbare vrouw,
verbannen, verjaagd;
wie bracht hen groot?
Ik was toch alleen overgebleven?
Waar waren ze dan?
Zo zegt de Eeuwige:
Ik steek mijn hand op naar de volken
ten teken dat ze je kinderen brengen,
je zonen op hun arm,
je dochters op hun schouder.
Koningen zullen hier kraamzuster zijn,
machtige vrouwen je voedster;
tot op de grond buigen zij voor je neer,
het stof van je voeten zullen ze likken;
zo zul je weten dat ik de Eeuwige ben;
wie op Mij hoopt, wordt nimmer beschaamd.
Kun je een held z'n buit afnemen,
of zullen wie terecht gevangen zijn,
kunnen ontkomen?
Ja, zelfs als gevangenen mochten ontkomen
of van een geweldig man de buit wordt afgepakt,
maar wie ruzie zoekt met jou,
krijgt met MIJ te maken;
Ik zàl je kinderen redden, hoe dan ook!
Wie jou verdrukten zullen nu hun eigen vlees eten,
hun eigen bloed drinken ‑ niet dat van jou;
en al wat leeft zal weten dat Ik, de Eeuwige,
jou bevrijd en verlost,
Ik, de kracht van Jakob.
-


Geen opmerkingen:
Een reactie posten