-
Hieronder Lucas 2,1-20 volgens de Herziene Staten vertaling (HSV), die deze maand verscheen.
1 En het geschiedde in die dagen dat er een gebod uitging van keizer Augustus dat heel de wereld ingeschreven moest worden. 2 Deze eerste inschrijving vond plaats toen Cyrenius over Syrië stadhouder was. 3 En ze gingen allen op weg om ingeschreven te worden, ieder naar zijn eigen stad. 4 Ook Jozef ging op weg, van Galilea uit de stad Nazareth naar Judea, naar de stad van David, die Bethlehem heet, omdat hij uit het huis en het geslacht van David was, 5 om ingeschreven te worden met Maria, zijn ondertrouwde vrouw, die zwanger was.
6 En het geschiedde, toen zij daar waren, dat de dagen vervuld werden dat zij baren zou, 7 en zij baarde haar eerstgeboren Zoon, wikkelde Hem in doeken en legde Hem in de kribbe, omdat er voor hen geen plaats was in de herberg.
8 En er waren herders in diezelfde streek, die zich ophielden in het open veld en 's nachts de wacht hielden over hun kudde. 9 En zie, een engel van de Heere stond bij hen en de heerlijkheid van de Heere omscheen hen en zij werden zeer bevreesd.10 En de engel zei tegen hen: Wees niet bevreesd, want zie, ik verkondig u grote blijdschap, die voor heel het volk wezen zal, 11 namelijk dat heden voor u in de stad van David de Zaligmaker geboren is; Hij is Christus, de Heere. 12 En dit zal voor u het teken zijn: u zult het Kindje vinden in doeken gewikkeld en liggend in de kribbe. 13 En plotseling was er bij de engel een menigte van de hemelse legermacht, die God loofde en zei: 14 Eer zij aan God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in mensen een welbehagen.
15 En het geschiedde, toen de engelen van hen weggegaan waren naar de hemel, dat de herders tegen elkaar zeiden: Laten wij nu naar Bethlehem gaan en dat woord zien dat er geschied is, dat de Heere ons bekendgemaakt heeft. 16 En zij gingen met haast en vonden Maria en Jozef, en het Kindje liggend in de kribbe. 17 Toen zij Het gezien hadden, maakten zij overal het woord bekend dat hun over dit Kind verteld was. 18 En allen die het hoorden, verwonderden zich over wat door de herders tegen hen gezegd werd. 19 Maar Maria bewaarde al deze woorden en overlegde die in haar hart. 20 En de herders keerden terug en zij verheerlijkten en loofden God om alles wat zij gehoord en gezien hadden, zoals tot hen gesproken was.
-
Posts tonen met het label Bijbelvertaling. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Bijbelvertaling. Alle posts tonen
15 december 2010
7 december 2010
Kinderen laten boeten?
-
Hoe wordt deze beruchte passage vertaald in NBV en HSV en andere vertalingen?
NBV 2004:
Voor de schuld van de ouders laat ik de kinderen boeten, en ook het derde geslacht en het vierde, wanneer ze mij haten; 6 maar als ze mij liefhebben en doen wat ik gebied, bewijs ik hun mijn liefde tot in het duizendste geslacht.
NBG 1951:
… die de ongerechtigheid der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde geslacht van hen die Mij haten, en die barmhartigheid doe aan duizenden van hen die Mij liefhebben en mijn geboden onderhouden.
Statenvertaling 1637:
… die de misdaet der vaderen besoecke aen de kinderen aen het derde ende aen het vierde [lidt] der gener die mij haten; ende doe barmherticheijt aen duijsenden der gener die mij liefhebben ende mijne geboden onderhouden.
Statenvertaling (Jongbloed-editie)
… die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten; en doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden.
Herziene Statenvertaling 2010:
... die de misdaad van de vaderen vergeldt aan de kinderen, aan het derde en vierde geslacht van hen die Mij haten, maar Die barmhartigheid doet aan duizenden van hen die Mij liefhebben en Mijn geboden in acht nemen.
DE VERTALING
Het Hebreeuwse werkwoord pqd is een algemene semitische woordstam, die ook voorkomt in het akkadisch, ugaritisch, foenicisch en aramees.
Lisowsky:
monsteren, inspecteren, beoordelen, bestraffen, deponeren
Koehler/Baumgartner:
zorgen voor, zich bekommeren om, node missen, nazien, inspecteren, monsteren, ter verantwoording roepen, verhaal halen
LXX: apodidous – teruggeven, vergoeden, weer goed maken; rekenschap afleggen; uit handen geven; de belissing overlaten aan..
INHOUDELIJK
Die de ongerechtigheid der vaderen etc. –
De gevolgen van een verkeerde keuze raken niet alleen jouzèlf, maar ze werken ook door in de volgende generaties. Ook je kinderen krijgen met de gevolgen te maken. Maar het is voor die volgende geslachten geen onontkoombaar noodlot, zie Ezechiël 18: ieder is persóónlijk verantwoordelijk voor het eigen kwaad.
De straf/vergelding vindt plaats als óók de volgende generaties de verkeerde keuzes (afgodendienst) overnemen. Dat zijn 'zij die Mij haten'.
De barmhartigheid geldt al die duizenden generaties, die niét de verkeerde keuzes van hun vaders volgen, maar de geboden bewaren, om ze te doen.
Volgens R. Bachya wordt er van vier generaties gesproken, omdat vier generaties samen kunnen leven. De achterkleinkinderen kan dan eventueel nog verweten worden dat ze de misdaden van hun overgrootouders hebben nagevolgd.
Kern van de uitleg:
Je kunt niet zeggen dat als de vader een booswicht is en de kinderen rechtvaardig zijn, dat God dan de boosheid van de vader op hèn verhaalt; dat is niet in overeenstemming met de maat van het recht (tsedaqa).
En je kunt ook niet zeggen dat de vader zonder meer om zijn schuld wordt gestraft, want dat is niet in overeenstemming met de maat van erbarmen (rechamim). Wat is dan de maat van Gods erbarmen?
Dat is dat Hij de zaak van de vader vier generaties laat rusten; als één van de volgende drie generaties rechtvaardig blijkt te zijn, dan wordt de vader gered; als géén van hen rechtvaardig blijkt te zijn, dan wordt ieder gestraft voor zijn eigen daden (Midrasj Hasjkeem).
Dus: één rechtvaardige generatie kan het goedmaken voor de vorige generaties(s). Dan wil God vergeven omwille van die rechtvaardige(n); maar gaat iedere generatie door in hetzelfde spoor, dan is ieder verantwoordelijk voor wat hij zelf aan kwaad heeft gedaan.
Midrasj:
Dit lijkt op iemand die van een koning honderd pond leende en daarna ontkende dat hij ooit zo'n lening had gekregen. Toen kwam zijn zoon, en leende ook honderd pond van de koning en ontkende het later ook. Toen kwam ook zijn kleinzoon; die deed hetzelfde. Toen de vierde generatie kwam, zijn achterkleinzoon, kreeg die geen lening meer, vanwege wat zijn vaderen vóór hem hadden gedaan (Mechilta de R. Sjimon bar Jochai).
Die barmhartigheid doe aan duizenden: vgl. Ex. 34:7. het betekent: die in bewaring houd de deugd die de mens doet, teneinde loon daarvoor te schenken tot in duizenden geslachten (Rasji).
Het blijkt dus dat de maat voor het goede bij God vijfhonderd maal groter is dan de maat voor de straf, want de laatste reikt slechts tot vier geslachten, en de eerste tot duizenden (dus minstens tweeduizend) geslachten (Tos. Sotha 4).
-
Hoe wordt deze beruchte passage vertaald in NBV en HSV en andere vertalingen?
NBV 2004:
Voor de schuld van de ouders laat ik de kinderen boeten, en ook het derde geslacht en het vierde, wanneer ze mij haten; 6 maar als ze mij liefhebben en doen wat ik gebied, bewijs ik hun mijn liefde tot in het duizendste geslacht.
NBG 1951:
… die de ongerechtigheid der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde geslacht van hen die Mij haten, en die barmhartigheid doe aan duizenden van hen die Mij liefhebben en mijn geboden onderhouden.
Statenvertaling 1637:
… die de misdaet der vaderen besoecke aen de kinderen aen het derde ende aen het vierde [lidt] der gener die mij haten; ende doe barmherticheijt aen duijsenden der gener die mij liefhebben ende mijne geboden onderhouden.
Statenvertaling (Jongbloed-editie)
… die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten; en doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden.
Herziene Statenvertaling 2010:
... die de misdaad van de vaderen vergeldt aan de kinderen, aan het derde en vierde geslacht van hen die Mij haten, maar Die barmhartigheid doet aan duizenden van hen die Mij liefhebben en Mijn geboden in acht nemen.
DE VERTALING
Het Hebreeuwse werkwoord pqd is een algemene semitische woordstam, die ook voorkomt in het akkadisch, ugaritisch, foenicisch en aramees.
Lisowsky:
monsteren, inspecteren, beoordelen, bestraffen, deponeren
Koehler/Baumgartner:
zorgen voor, zich bekommeren om, node missen, nazien, inspecteren, monsteren, ter verantwoording roepen, verhaal halen
LXX: apodidous – teruggeven, vergoeden, weer goed maken; rekenschap afleggen; uit handen geven; de belissing overlaten aan..
INHOUDELIJK
Die de ongerechtigheid der vaderen etc. –
De gevolgen van een verkeerde keuze raken niet alleen jouzèlf, maar ze werken ook door in de volgende generaties. Ook je kinderen krijgen met de gevolgen te maken. Maar het is voor die volgende geslachten geen onontkoombaar noodlot, zie Ezechiël 18: ieder is persóónlijk verantwoordelijk voor het eigen kwaad.
De straf/vergelding vindt plaats als óók de volgende generaties de verkeerde keuzes (afgodendienst) overnemen. Dat zijn 'zij die Mij haten'.
De barmhartigheid geldt al die duizenden generaties, die niét de verkeerde keuzes van hun vaders volgen, maar de geboden bewaren, om ze te doen.
Volgens R. Bachya wordt er van vier generaties gesproken, omdat vier generaties samen kunnen leven. De achterkleinkinderen kan dan eventueel nog verweten worden dat ze de misdaden van hun overgrootouders hebben nagevolgd.
Kern van de uitleg:
Je kunt niet zeggen dat als de vader een booswicht is en de kinderen rechtvaardig zijn, dat God dan de boosheid van de vader op hèn verhaalt; dat is niet in overeenstemming met de maat van het recht (tsedaqa).
En je kunt ook niet zeggen dat de vader zonder meer om zijn schuld wordt gestraft, want dat is niet in overeenstemming met de maat van erbarmen (rechamim). Wat is dan de maat van Gods erbarmen?
Dat is dat Hij de zaak van de vader vier generaties laat rusten; als één van de volgende drie generaties rechtvaardig blijkt te zijn, dan wordt de vader gered; als géén van hen rechtvaardig blijkt te zijn, dan wordt ieder gestraft voor zijn eigen daden (Midrasj Hasjkeem).
Dus: één rechtvaardige generatie kan het goedmaken voor de vorige generaties(s). Dan wil God vergeven omwille van die rechtvaardige(n); maar gaat iedere generatie door in hetzelfde spoor, dan is ieder verantwoordelijk voor wat hij zelf aan kwaad heeft gedaan.
Midrasj:
Dit lijkt op iemand die van een koning honderd pond leende en daarna ontkende dat hij ooit zo'n lening had gekregen. Toen kwam zijn zoon, en leende ook honderd pond van de koning en ontkende het later ook. Toen kwam ook zijn kleinzoon; die deed hetzelfde. Toen de vierde generatie kwam, zijn achterkleinzoon, kreeg die geen lening meer, vanwege wat zijn vaderen vóór hem hadden gedaan (Mechilta de R. Sjimon bar Jochai).
Die barmhartigheid doe aan duizenden: vgl. Ex. 34:7. het betekent: die in bewaring houd de deugd die de mens doet, teneinde loon daarvoor te schenken tot in duizenden geslachten (Rasji).
Het blijkt dus dat de maat voor het goede bij God vijfhonderd maal groter is dan de maat voor de straf, want de laatste reikt slechts tot vier geslachten, en de eerste tot duizenden (dus minstens tweeduizend) geslachten (Tos. Sotha 4).
-
6 december 2010
Psalm 85
-
Af en toe een bijbeltekst, vertaald uit het Grieks of Hebreeuws
1 Voor de koorleider, voor de zonen van Korach, een psalm.
2 U was goedgunstig, o Heer, voor uw land:
òm keerde Gij het straflot van Jakob,
3 de ongerechtigheid van uw volk hief Gij op
en al hun zonden hebt Gij bedekt, (sela)
4 al uw verbolgenheid toomde Gij in,
ja àf keerde Gij U van uw vlammende woede.
5 Doe ons weerkeren, God van ons heil,
en doe weg uw afkeer van ons!
6 Zult U dan altijd tegen ons toornen,
laten duren uw toorn van geslacht tot geslacht?
7 Bent U het dan niet die
door ommekeer heen ons zult doen léven,
zodat uw volk vreugde zal hebben in U?
8 Toon ons, o Here, uw vriendschap
en geef ons uw heil!
9 Ik mag horen wat God de Heer spreekt
want Hij zal spreken van vrede
tot zijn volk, tot zijn vrienden
laten ze niet weer vervallen tot dwaasheid!
10 Waarlijk, nabij is zijn heil voor wie Hem vrezen,
zijn heerlijkheid om in ons land te gaan wonen:
11 vriendschap en trouw ontmoeten elkaar,
gerechtigheid en vrede kussen elkaar,
12 trouw ontspruit aan de aarde,
gerechtigheid reikt neer van de hemel;
13 ja, de Heer zal geven wat goed is
zoals ons land gewas geven zal;
14 gerechtigheid zal voor zijn aangezicht gaan
en richten de gang van zijn schreden.
-
Af en toe een bijbeltekst, vertaald uit het Grieks of Hebreeuws
1 Voor de koorleider, voor de zonen van Korach, een psalm.
2 U was goedgunstig, o Heer, voor uw land:
òm keerde Gij het straflot van Jakob,
3 de ongerechtigheid van uw volk hief Gij op
en al hun zonden hebt Gij bedekt, (sela)
4 al uw verbolgenheid toomde Gij in,
ja àf keerde Gij U van uw vlammende woede.
5 Doe ons weerkeren, God van ons heil,
en doe weg uw afkeer van ons!
6 Zult U dan altijd tegen ons toornen,
laten duren uw toorn van geslacht tot geslacht?
7 Bent U het dan niet die
door ommekeer heen ons zult doen léven,
zodat uw volk vreugde zal hebben in U?
8 Toon ons, o Here, uw vriendschap
en geef ons uw heil!
9 Ik mag horen wat God de Heer spreekt
want Hij zal spreken van vrede
tot zijn volk, tot zijn vrienden
laten ze niet weer vervallen tot dwaasheid!
10 Waarlijk, nabij is zijn heil voor wie Hem vrezen,
zijn heerlijkheid om in ons land te gaan wonen:
11 vriendschap en trouw ontmoeten elkaar,
gerechtigheid en vrede kussen elkaar,
12 trouw ontspruit aan de aarde,
gerechtigheid reikt neer van de hemel;
13 ja, de Heer zal geven wat goed is
zoals ons land gewas geven zal;
14 gerechtigheid zal voor zijn aangezicht gaan
en richten de gang van zijn schreden.
-
3 december 2010
Openbaring van Johannes
-
In een gespreksgroep hadden we het over de visioenen van Johannes van Patmos, te vinden in het bijbelboek Openbaring. Johannes was naar het eiland Patmos verbannen en zo dus afgesneden van zijn geliefden. Vanaf Patmos schreef hij brieven aan de christelij-ke gemeentes, met wie hij was verbonden. Dit was ergens tussen 90-95 na Christus. In die tijd vonden christenvervolgingen plaats door keizer Domitianus.
In zijn dromen en visioenen ziet Johannes veel ellende over de wereld komen; er speelt zich een verschrikkelijke strijd af tussen het beest (beeld van de keizer?) en de ‘heiligen’ (christenen). Eindeloos veel onheil wordt over de wereld uitgestort. Uiteindelijk overwint niet het beest, maar het Lam (beeld van Christus), dan wel de hemel (God).
Het gesprek ging over de vraag wat voor voorspellende waarde deze visioenen hebben. In mijn visie hebben deze dromen en visioenen waarde vanwege het inzicht in onze wereld, dat ze bieden. Het kwaad wordt ten diepste toe gepeild, ontleed en aan de kaak gesteld. Dat betekent dat door de eeuwen heen mensen telkens weer hebben herkend, wat in de Openbaring van Johannes over de wereld en over het kwaad wordt gezegd.
Voorspellen profeten dan niet de toekomst? Nee, dat doen ze niet. De Bijbel keert zich juist fel tegen waarzeggerij en toekomstvoorspellen; als je dat nl. doet, leg je alles wat in deze wereld gebeurt eigenlijk vast als een nood lot: het heeft zo moeten zijn, het is zo tevoren bepaald. De eigen vrijheid en verantwoordelijkheid van mensen laat je dan los.
Wat doen profeten dan wel? Ze zeggen je waar het op staat. Ze leggen hun vinger bij de zere plek. Ze klagen je aan. Ze vertellen wat jij fout doet of wat er mis is in de samenle-ving – en dat steeds vanuit de visie en de hoop, dat je je bekeert en dat je anders gaat leven. Dáártoe roepen ze steeds op. ‘Als je op dit spoor verder gaat, gaat het mis; maar je kunt je bekleren; je hebt zelf de keuze om een andere weg in te slaan, ten goede’. Dàt is in de Bijbel profetie; die is steeds opgehangen aan het kennen van de weg die de Eeuwige je wijst.
De dromen en visioenen worden uiteraard mede ingekleurd door de ziener zelf en door de tijd waarin zij/hij leeft. Johannes ziet geen toekomst met tanks en vliegtuigen. Hij ziet in de oorlog gebruikte paarden, speren, zwaarden. Hij voorspelt niet onze tijd, maar doorziet zijn eigen tijd. ‘En ook de zee is er niet meer’ – de zee, die hem scheidt van zijn geliefden op het vasteland van Klein-Azië. Die scheiding gáát voorbij, er daalt een nieuw Jeruzalem neer uit de hemel, bij God vandaan. Het oude Jeruzalem was nl. in het jaar 70 verwoest en verbrand door de Romeinse legers onder Titus.
Wat voor waarde of betekenis heeft zo’n ‘openbaring’ dan voor ons? Het is vooral troost en bemoediging; Johannes kijkt even àchter de schermen van onze wereldgeschiedenis en ziet dan, dat het kwaad niét zal overwinnen, maar dat er een nieuwe toekomst zal binnenbreken in onze werkelijkheid.
-
In een gespreksgroep hadden we het over de visioenen van Johannes van Patmos, te vinden in het bijbelboek Openbaring. Johannes was naar het eiland Patmos verbannen en zo dus afgesneden van zijn geliefden. Vanaf Patmos schreef hij brieven aan de christelij-ke gemeentes, met wie hij was verbonden. Dit was ergens tussen 90-95 na Christus. In die tijd vonden christenvervolgingen plaats door keizer Domitianus.
In zijn dromen en visioenen ziet Johannes veel ellende over de wereld komen; er speelt zich een verschrikkelijke strijd af tussen het beest (beeld van de keizer?) en de ‘heiligen’ (christenen). Eindeloos veel onheil wordt over de wereld uitgestort. Uiteindelijk overwint niet het beest, maar het Lam (beeld van Christus), dan wel de hemel (God).
Het gesprek ging over de vraag wat voor voorspellende waarde deze visioenen hebben. In mijn visie hebben deze dromen en visioenen waarde vanwege het inzicht in onze wereld, dat ze bieden. Het kwaad wordt ten diepste toe gepeild, ontleed en aan de kaak gesteld. Dat betekent dat door de eeuwen heen mensen telkens weer hebben herkend, wat in de Openbaring van Johannes over de wereld en over het kwaad wordt gezegd.
Voorspellen profeten dan niet de toekomst? Nee, dat doen ze niet. De Bijbel keert zich juist fel tegen waarzeggerij en toekomstvoorspellen; als je dat nl. doet, leg je alles wat in deze wereld gebeurt eigenlijk vast als een nood lot: het heeft zo moeten zijn, het is zo tevoren bepaald. De eigen vrijheid en verantwoordelijkheid van mensen laat je dan los.
Wat doen profeten dan wel? Ze zeggen je waar het op staat. Ze leggen hun vinger bij de zere plek. Ze klagen je aan. Ze vertellen wat jij fout doet of wat er mis is in de samenle-ving – en dat steeds vanuit de visie en de hoop, dat je je bekeert en dat je anders gaat leven. Dáártoe roepen ze steeds op. ‘Als je op dit spoor verder gaat, gaat het mis; maar je kunt je bekleren; je hebt zelf de keuze om een andere weg in te slaan, ten goede’. Dàt is in de Bijbel profetie; die is steeds opgehangen aan het kennen van de weg die de Eeuwige je wijst.
De dromen en visioenen worden uiteraard mede ingekleurd door de ziener zelf en door de tijd waarin zij/hij leeft. Johannes ziet geen toekomst met tanks en vliegtuigen. Hij ziet in de oorlog gebruikte paarden, speren, zwaarden. Hij voorspelt niet onze tijd, maar doorziet zijn eigen tijd. ‘En ook de zee is er niet meer’ – de zee, die hem scheidt van zijn geliefden op het vasteland van Klein-Azië. Die scheiding gáát voorbij, er daalt een nieuw Jeruzalem neer uit de hemel, bij God vandaan. Het oude Jeruzalem was nl. in het jaar 70 verwoest en verbrand door de Romeinse legers onder Titus.
Wat voor waarde of betekenis heeft zo’n ‘openbaring’ dan voor ons? Het is vooral troost en bemoediging; Johannes kijkt even àchter de schermen van onze wereldgeschiedenis en ziet dan, dat het kwaad niét zal overwinnen, maar dat er een nieuwe toekomst zal binnenbreken in onze werkelijkheid.
-
22 november 2010
Mattheüs 24,32-44 Over de laatste, uiterste dagen
-
Werkvertaling uit het Grieks
32 Leert dan van de vijgeboom de gelijkenis:
wanneer z'n hout al zacht wordt
en de bladeren beginnen te groeien,
weten jullie dat de zomer dichtbij is;
33 evenzo weten ook jullie,
wanneer je dit alles ziet,
dat het nabij is, voor de deur.
34 Voorwaar, ik zeg jullie
dat dit geslacht niet voorbij gaat,
vóórdat dit alles geschiedt.
35 De hemel en de aarde zullen voorbij gaan,
maar mijn woorden zullen niet voorbij gaan.
36 Aangaande die dag en dat uur weet niemand,
ook niet de engelen van de hemelen,
ook niet de zoon,
behalve de vader alleen.
37 Want zoals de dagen van Noach,
zo zal de wederkomst van de mensenzoon zijn.
38 Want zoals ze in die dagen vóór de zondvloed
aten en dronken en huwden,
tot aan de dag dat Noach in de ark ging,
39 en ze het niet beseften
totdat de zondvloed kwam en allen wegnam,
zo zal [ook] de wederkomst van de mensenzoon zijn.
40 Dan zullen er twee mannen op de akker zijn;
één wordt meegenomen
en één gaat ten onder;
41 twee vrouwen zullen in de molen malen;
één wordt meegenomen
en één gaat ten onder.
42 Weest dus waakzaam,
want jullie weten niet
op wat voor dag jullie Heer komt.
43 Jullie weten ook wel dat
als de huisheer zou weten
in welke wake de dief zou komen,
hij zou blijven waken
en niet zou toelaten in te breken in zijn huis.
44 Wees daarom bereid ook jullie,
want op een uur dat je het niet verwacht,
komt de mensenzoon.
-
Werkvertaling uit het Grieks
32 Leert dan van de vijgeboom de gelijkenis:
wanneer z'n hout al zacht wordt
en de bladeren beginnen te groeien,
weten jullie dat de zomer dichtbij is;
33 evenzo weten ook jullie,
wanneer je dit alles ziet,
dat het nabij is, voor de deur.
34 Voorwaar, ik zeg jullie
dat dit geslacht niet voorbij gaat,
vóórdat dit alles geschiedt.
35 De hemel en de aarde zullen voorbij gaan,
maar mijn woorden zullen niet voorbij gaan.
36 Aangaande die dag en dat uur weet niemand,
ook niet de engelen van de hemelen,
ook niet de zoon,
behalve de vader alleen.
37 Want zoals de dagen van Noach,
zo zal de wederkomst van de mensenzoon zijn.
38 Want zoals ze in die dagen vóór de zondvloed
aten en dronken en huwden,
tot aan de dag dat Noach in de ark ging,
39 en ze het niet beseften
totdat de zondvloed kwam en allen wegnam,
zo zal [ook] de wederkomst van de mensenzoon zijn.
40 Dan zullen er twee mannen op de akker zijn;
één wordt meegenomen
en één gaat ten onder;
41 twee vrouwen zullen in de molen malen;
één wordt meegenomen
en één gaat ten onder.
42 Weest dus waakzaam,
want jullie weten niet
op wat voor dag jullie Heer komt.
43 Jullie weten ook wel dat
als de huisheer zou weten
in welke wake de dief zou komen,
hij zou blijven waken
en niet zou toelaten in te breken in zijn huis.
44 Wees daarom bereid ook jullie,
want op een uur dat je het niet verwacht,
komt de mensenzoon.
-
Jesaja 2,1-5 Zwaarden tot ploegscharen
-
Werkvertaling, uit het Hebreeuws
Jesaja 2
1 Het woord dat Jesaja, zoon van Amos,
schouwde over Juda en Jeruzalem.
2 Het zal zijn aan het einde der dagen:
vaststaan zal de berg van het huis van de Heer
op het hoofd van de bergen
en boven de heuvels verheven
en daarheen zullen stromen
alle de volken,
3 en gaan zullen de natiën, talrijk,
en zij zullen zeggen:
gaat, en: laten we opgaan
tot de berg van de Heer,
tot het huis van Jakobs God:
dat Hij ons onderrichten zal
aangaande zijn wegen,
en dat wij gaan op zijn paden
want uit Sion zal de Torah uitgaan
en het woord van de Heer uit Jeruzalem,
4 en hij richt tussen de volken
en doet recht aan de natiën, talrijk
dan slaan zij hun zwaarden stuk tot ploegen
en hun speren tot snoeimessen;
niet neemt een volk het zwaard meer op
tegen een volk,
de oorlog zullen zij niét meer leren.
5 Huis van Jakob
laten we gaan, ja gaan
in het licht van de Heer!
-
Werkvertaling, uit het Hebreeuws
Jesaja 2
1 Het woord dat Jesaja, zoon van Amos,
schouwde over Juda en Jeruzalem.
2 Het zal zijn aan het einde der dagen:
vaststaan zal de berg van het huis van de Heer
op het hoofd van de bergen
en boven de heuvels verheven
en daarheen zullen stromen
alle de volken,
3 en gaan zullen de natiën, talrijk,
en zij zullen zeggen:
gaat, en: laten we opgaan
tot de berg van de Heer,
tot het huis van Jakobs God:
dat Hij ons onderrichten zal
aangaande zijn wegen,
en dat wij gaan op zijn paden
want uit Sion zal de Torah uitgaan
en het woord van de Heer uit Jeruzalem,
4 en hij richt tussen de volken
en doet recht aan de natiën, talrijk
dan slaan zij hun zwaarden stuk tot ploegen
en hun speren tot snoeimessen;
niet neemt een volk het zwaard meer op
tegen een volk,
de oorlog zullen zij niét meer leren.
5 Huis van Jakob
laten we gaan, ja gaan
in het licht van de Heer!
-
13 september 2010
De eindafrekening
-
Een voorbeeldverhaal van Jezus, vertaald uit het Grieks; het zijn net een paar camerashots - boeiend!
Ook gepubliceerd op http://www.schriftlezing.nl/
1. Tot zijn leerlingen zei hij:
er was eens een rijk mens;
die had een beheerder
en deze werd belasterd bij hem,
dat hij zijn vermogen erdoor joeg.
2. Hij riep hem en zei:
Wat hoor ik daar over jou?
Geef de eindafrekening van je beheer,
want je kunt niet langer beheerder blijven.
3. De beheerder sprak bij zichzelf:
wat moet ik doen,
nu de heer mij het beheer afneemt:
om te graven ben ik niet sterk genoeg,
en ik schaam me mijn hand op te houden.
4. Ik weet wat ik doen zal, opdat
wanneer ik ben afgezet als beheerder,
ze mij zullen ontvangen in hun woningen!
5. En één voor één roept hij
de schuldenaars van z'n heer bij zich
en zegt tot de eerste:
Hoeveel ben je mijn heer schuldig?
6. Hij zegt:
Honderd vaten olie.
Hij zegt tot hem:
pak de schuldbrief aan,
ga zitten en maak er vlug vijftig van.
7. Daarna zegt hij tot een ander:
Jij, hoeveel bedraagt jóuw schuld?
Hij zegt:
Honderd mud tarwe.
Hij zegt tot hem:
pak de schuldbrief aan
en maak er tachtig van.
8. En de heer prees de kromme beheerder,
omdat hij het slim had gedaan,
want de kinderen van dit bestel
zijn slimmer dan de kinderen van het licht,
wat hun generatie betreft.
9. En ik zeg jullie:
maak jezelf vrienden uit geld dat krom is,
opdat wanneer het over en uit is,
ze jullie zullen ontvangen in de eeuwige tenten.
10. Wie betrouwbaar is in het minste,
is ook in het grote betrouwbaar;
wie krom is in het minste
is ook in het grote krom.
11. Als jullie nou niet betrouwbaar zijn
in het kromme geld,
wie zal jullie dan het ware toevertrouwen?
12. En als jullie nou niet betrouwbaar zijn
in wat van een ander is,
wie zal jullie dan je deel geven?!
13. Geen enkele huisslaaf kan twéé heren dienen:
want hij zal of aan de één een hekel hebben
en de andere graag mogen,
of hij zal zich aan de één hechten
en de ander minachten.
Je kunt niet èn God dienen èn het geld.
14. Dat alles hoorden de geldbeluste Farizeeën
en ze bespotten hem.
15. Hij zei tot hen:
jullie willen rechtvaardig zijn voor de mensen,
maar God kent jullie harten;
want wat hoog is onder mensen,
is een gruwel voor God.
16. De Wet en de Profeten zijn tot Johannes;
vanaf toen wordt Gods koningschap verkondigd
en iedereen maakt zich er meester van.
[ of: gaat ermee aan de haal ]
17. Waarschijnlijker is het dat hemel en aarde voorbijgaan,
dan dat er één tittel van de wet vervalt.
-
Een voorbeeldverhaal van Jezus, vertaald uit het Grieks; het zijn net een paar camerashots - boeiend!
Ook gepubliceerd op http://www.schriftlezing.nl/
1. Tot zijn leerlingen zei hij:
er was eens een rijk mens;
die had een beheerder
en deze werd belasterd bij hem,
dat hij zijn vermogen erdoor joeg.
2. Hij riep hem en zei:
Wat hoor ik daar over jou?
Geef de eindafrekening van je beheer,
want je kunt niet langer beheerder blijven.
3. De beheerder sprak bij zichzelf:
wat moet ik doen,
nu de heer mij het beheer afneemt:
om te graven ben ik niet sterk genoeg,
en ik schaam me mijn hand op te houden.
4. Ik weet wat ik doen zal, opdat
wanneer ik ben afgezet als beheerder,
ze mij zullen ontvangen in hun woningen!
5. En één voor één roept hij
de schuldenaars van z'n heer bij zich
en zegt tot de eerste:
Hoeveel ben je mijn heer schuldig?
6. Hij zegt:
Honderd vaten olie.
Hij zegt tot hem:
pak de schuldbrief aan,
ga zitten en maak er vlug vijftig van.
7. Daarna zegt hij tot een ander:
Jij, hoeveel bedraagt jóuw schuld?
Hij zegt:
Honderd mud tarwe.
Hij zegt tot hem:
pak de schuldbrief aan
en maak er tachtig van.
8. En de heer prees de kromme beheerder,
omdat hij het slim had gedaan,
want de kinderen van dit bestel
zijn slimmer dan de kinderen van het licht,
wat hun generatie betreft.
9. En ik zeg jullie:
maak jezelf vrienden uit geld dat krom is,
opdat wanneer het over en uit is,
ze jullie zullen ontvangen in de eeuwige tenten.
10. Wie betrouwbaar is in het minste,
is ook in het grote betrouwbaar;
wie krom is in het minste
is ook in het grote krom.
11. Als jullie nou niet betrouwbaar zijn
in het kromme geld,
wie zal jullie dan het ware toevertrouwen?
12. En als jullie nou niet betrouwbaar zijn
in wat van een ander is,
wie zal jullie dan je deel geven?!
13. Geen enkele huisslaaf kan twéé heren dienen:
want hij zal of aan de één een hekel hebben
en de andere graag mogen,
of hij zal zich aan de één hechten
en de ander minachten.
Je kunt niet èn God dienen èn het geld.
14. Dat alles hoorden de geldbeluste Farizeeën
en ze bespotten hem.
15. Hij zei tot hen:
jullie willen rechtvaardig zijn voor de mensen,
maar God kent jullie harten;
want wat hoog is onder mensen,
is een gruwel voor God.
16. De Wet en de Profeten zijn tot Johannes;
vanaf toen wordt Gods koningschap verkondigd
en iedereen maakt zich er meester van.
[ of: gaat ermee aan de haal ]
17. Waarschijnlijker is het dat hemel en aarde voorbijgaan,
dan dat er één tittel van de wet vervalt.
-
3 april 2007
Passieverhaal Joh. 18-19
Voor Goede Vrijdag heb ik van het Johannes-Evangelie
de hoofdstukken 18 en 19 opnieuw uit het Grieks vertaald.
Johannes 18
1 Na dat gezegd te hebben,
ging Jezus weg met zijn leerlingen
naar de overkant van de beek Kidron;
daar was een olijfgaard,
die hij met zijn leerlingen binnenging.
2 Ook Judas – zijn verrader – kende die plek,
want vaak was Jezus daar
met zijn leerlingen samengekomen.
3 Judas nu nam een afdeling soldaten mee
en dienaren uit de kring van overpriesters en Farizeeën
en kwam daar naartoe met fakkels,
lampen en wapentuig.
4 Jezus wist wat er allemaal op hem afkwam;
hij ging eruit en zei tot hen:
Wie zoeken jullie?
5 Ze antwoordden hem:
Jezus van Nazareth!
Hij zei tot hen:
Dat ben ik.
Ook Judas – zijn verrader – stond bij hen.
6 Toen hij tot hen zei ‘ik ben het’,
liepen ze achteruit
en vielen ze ter aarde.
7 Nogmaals vroeg hij hen:
Wie zoeken jullie?
en zij zeiden:
Jezus van Nazareth!
8 Jezus antwoordde:
Ik heb jullie toch gezegd dat ik het ben?!
Als jullie mij dus zoeken,
laat hen dan gaan!
9 (opdat het woord vervuld zou worden
dat hij gezegd had:
Van hen die Gij mij gegeven hebt,
heb ik niemand in het verderf gestort).
10 Simon Petrus had een zwaard,
trok het, sloeg in op de knecht van de overpriester
en hakte hem het rechteroor af;
de naam van die knecht was Malchus.
11 Maar Jezus zei tot Petrus:
Steek het zwaard in de schede;
de beker die de Vader mij heeft gegeven,
zou ik die niet drinken?
12 De afdeling soldaten, de bevelhebber
en de dienaren van de Joden
grepen Jezus, boeiden hem
13 en brachten hem eerst naar Annas;
hij was de schoonvader van Kajafas,
die hogepriester was, dat jaar.
14 Kajafas had overlegd met de Joden
dat het beter is dat één mens sterft
in plaats van het volk.
15 Simon Petrus volgde Jezus,
en nog een andere leerling.
Die leerling was een bekende van de overpriester
en ging met Jezus de hof van de overpriester binnen,
16 maar Petrus bleef buiten bij de deur staan.
Toen kwam de andere leerling
- de kennis van de overpriester – naar buiten,
sprak met de deurwacht
en leidde Petrus naar binnen.
17 Het meisje dat deurwacht was zei toen tot Petrus:
Ben jij ook niet een van de leerlingen
van die mens?
Hij zei:
Ik ben het niet.
18 Daar stonden ook de slaven en de dienaren,
die een vuur gemaakt hadden,
want het was koud, en ze warmden zich.
Ook Petrus stond bij hen zich te warmen.
19 De overpriester ondervroeg Jezus
over zijn leerlingen en over zijn leer.
20 Jezus antwoordde hem:
Ik heb vrijuit gesproken voor de wereld,
ik heb altijd onderricht in synagoge en tempel,
waar alle Joden bijeenkomen
en ik heb niets in het geheim gezegd.
21 Wat vraagt u me dan?
Vraag liever de hoorders wat ik hen gezegd heb!
Zij weten wat ik heb gezegd.
22 Toen hij dat gezegd had,
gaf een van de dienaren die erbij stond
Jezus een vuistslag en zei:
Zó antwoord geven aan de overpriester?
23 Jezus antwoordde hem:
Als ik iets verkeerd heb gezegd,
vertel me dat verkeerde;
maar als ik het goed heb gezegd,
waarom slaat u me dan?
24 Toen zond Annas hem geboeid
naar Kajafas, de hogepriester.
25 Simon Petrus stond zich te warmen.
Ze zeiden tegen hem:
Ben jij ook niet een van zijn leerlingen?
Hij ontkende het en zei:
Ik ben het niet.
26 Toen zei een van de slaven van de overpriester
- een verwant van wie Petrus het oor had afgehakt -:
Heb ik u niet in de olijfgaard gezien met hem?
27 En weer ontkende Petrus het
en meteen kraaide er een haan.
28 Dan brengen ze Jezus van Kajafas
naar het garnizoensgebouw;
het was vroeg in de morgen;
ze gingen het garnizoensgebouw niet binnen
om zich niet te verontreinigen
maar het Pascha te kunnen eten.
29 Dus kwam Pilatus tot hen naar buiten en zegt:
Welke aanklacht brengen jullie in
tegen deze mens?
30 Zij antwoordden en zeiden tot hem:
Als hij geen boosdoener was,
hadden we hem niet aan u overgeleverd.
31 Toen zei Pilatus tot hen:
Neem hem maar weer mee
en oordeel hem naar jullie wet.
De Joden zeiden tot hem:
Het is ons niet geoorloofd
iemand ter dood te brengen
32 (opdat het woord van Jezus vervuld zou worden
waarmee hij aangaf welke dood hij zou gaan sterven).
33 Pilatus ging het garnizoensgebouw weer in,
riep Jezus en zei tot hem:
Bent u de koning van de Joden?
34 Jezus antwoordde:
Zegt u dat uit uzelf,
of hebben anderen u over mij verteld?
35 Pilatus antwoordde:
Ik ben toch geen Jood?!
Uw volk en de overpriesters
hebben u aan mij overgeleverd;
wat hebt u gedaan?
36 Jezus antwoordde:
Mijn koningschap is niet van deze wereld;
als mijn koningschap van deze wereld zou zijn,
dan zouden mijn dienaren gevochten hebben,
om te voorkomen dat ik
aan de Joden zou worden overgeleverd;
maar mijn koningschap is niet van hier.
37 Toen zei Pilatus tot hem:
Dus u bent geen koning?
Jezus antwoordde:
U zegt dat ik koning ben….
Hiertoe ben ik geboren
en hiertoe ben ik in de wereld gekomen
om te getuigen van de waarheid;
iedereen die uit de waarheid is,
hoort naar mijn stem.
38 Zegt Pilatus tot hem:
Wat is waarheid?
Toen hij dat had gezegd,
ging hij weer naar buiten naar de Joden
en zei tot hen:
Ik vind geen enkele schuld in hem.
39 Het is gewoonte bij jullie
dat ik je op het Pascha iemand vrijlaat;
willen jullie dat ik je
de koning van de Joden vrijlaat?
40 Weer schreeuwden ze en zeiden:
Niet hem, maar Barabbas!
Barabbas was een misdadiger.
Johannes 19
1 Toen nam Pilatus Jezus en liet hem geselen
2 De soldaten vlochten een krans van dorens,
zetten die op zijn hoofd
en deden hem een purperen kleed om.
3 Ze kwamen op hem toe en zeiden:
Gegroet de koning van de Joden!
en ze dienden hem vuistslagen toe.
4 Weer kwam Pilatus naar buiten
en zegt tegen hen:
Zie, ik breng hem weer naar buiten bij jullie,
opdat jullie weten dat ik
geen enkele schuld in hem vind.
5 Toen kwam Jezus naar buiten,
met de doornenkroon op
en het purperen kleed aan,
en hij zei tot hen:
Zie de mens.
6 Toen dan de overpriesters en de dienaren hem zagen,
schreeuwden ze en zeiden:
Kruisig hem! Kruisig hem!
Pilatus zei tot hen:
Nemen jullie hem en kruisigt hem,
want ik vind in hem geen schuld.
7 De Joden antwoordden hem:
Wij hebben een wet
en volgens de wet moet hij sterven,
want hij heeft zichzelf zoon van God gemaakt.
8 Toen Pilatus dit woord hoorde,
werd hij nog banger,
9 ging weer het garnizoensgebouw in
en zegt tot Jezus:
Waar bent u vandaan?
Maar Jezus gaf hem geen antwoord.
10 Dan zegt Pilatus tot hem:
Spreekt u niet met mij?
Weet u niet dat ik macht heb u vrij te laten
en macht u te laten kruisigen?
11 Jezus antwoordde:
U hebt geen enkele macht over mij,
tenzij die u van boven is gegeven.
Daarom heeft hij die mij aan u overlevert,
groter zonde.
12 Van toen af zocht Pilatus hem vrij te laten;
maar de Joden schreeuwden en zeiden:
Als u die vrijlaat,
bent u geen vriend van de keizer!
Ieder die zich koning maakt,
protesteert tegen de keizer.
13 Toen Pilatus die woorden gehoord had,
bracht hij Jezus naar buiten
en ging op de rechterstoel zitten
op een plek genaamd Lithostrotos (Steenstraat),
in het Hebreeuws Gabbatha.
14 Het was de vooravond van Pasen,
rond het zesde uur;
en hij zegt tegen de Joden:
Zie, jullie koning.
15 En die schreeuwden:
Weg, weg, kruisig hem!
Pilatus zegt tot hen:
Moet ik jullie koning kruisigen?
De overpriesters antwoordden:
We hebben geen koning behalve de keizer.
16 Toen leverde hij hem aan hen over
om gekruisigd te worden.
Zij namen Jezus
17 en het kruis meetorsend
ging hij naar de zogeheten Schedelplaats,
in het Hebreeuws Golgotha.
18 Daar kruisigden ze hem
en met hem nog twee anderen aan weerszijden
en Jezus in het midden.
19 Pilatus had ook een opschrift geschreven
en liet dat op het kruis plaatsen;
er stond geschreven:
Jezus van Nazareth,
de koning van de Joden
20 Veel Joden lazen dat opschrift,
want die plek waar Jezus gekruisigd werd,
was dicht bij de stad;
het was in het Hebreeuws, Romeins en Grieks geschreven.
21 De overpriesters van de Joden zeiden tot Pilatus:
Schrijf niet: de koning van de Joden,
maar dat HIJ gezegd heeft:
ik ben koning van de Joden.
22 Pilatus antwoordde:
Wat ik geschreven heb, heb ik geschreven.
23 De soldaten die Jezus gekruisigd hadden,
namen zijn kleren en maakten er vier delen van,
voor elke soldaat een deel,
en ook het hemd.
Het hemd was naadloos,
van bovenaf aan één stuk geweven.
24 Toen zeiden ze tot elkaar:
Laten we het niet scheuren,
maar erom dobbelen van wie het zal zijn
opdat het Schriftwoord vervuld werd:
Mijn kleding hebben ze onder elkaar verdeeld
en over mijn mantel het lot geworpen.
Dat deden dus de soldaten.
25 Bij het kruis van Jezus stonden
zijn moeder en de zus van zijn moeder,
Maria van Klopas, en Maria Magdalena.
26 Toen Jezus zijn moeder zag
en bij haar de leerling die hij liefhad,
zei hij tegen zijn moeder:
Vrouw, zie uw zoon.
27 Vervolgens zegt hij tegen de leerling:
Zoon, zie uw moeder.
Vanaf dat uur nam de leerling haar bij zich op.
28 Daarna, toen Jezus wist
dat alles al was volbracht, zei hij
om het Schriftwoord te vervullen:
Ik heb dorst.
29 Er lag daar een vat vol wijnazijn;
ze staken een spons vol wijnazijn
op een hysopstengel
en brachten die naar zijn mond.
30 Toen Jezus de wijnazijn genomen had,
zei hij:
Het is volbracht –
en hij boog het hoofd en gaf de geest.
31 De Joden nu vroegen Pilatus
omdat het de vooravond van het feest was
en de lichamen niet op het kruis zouden blijven
op de sabbath
- want groot was de dag van die sabbath –
om hun benen te breken
en dat ze weggenomen zouden worden.
32 Dus kwamen de soldaten
en braken de benen van de eerste en van de andere,
die met hem gekruisigd waren.
33 Toen ze bij Jezus kwamen
en zagen dat hij reeds gestorven was,
braken ze zijn benen niet,
34 maar een van de soldaten
doorboorde met een speer zijn zij
en direct kwam er bloed en water uit.
35 Die het gezien heeft, heeft een getuigenis afgelegd
en zijn getuigenis is waar
en hij weet dat hij de waarheid spreekt
opdat ook jullie tot geloof komen.
36 Dat is gebeurd opdat het Schriftwoord werd vervuld:
Zijn beenderen zullen niet worden gebroken
37 en nog een ander Schriftwoord zegt:
Zij zullen zien op hem, die zij doorstoken hebben
38 Daarna vroeg Jozef van Arimathea,
die in het geheim een leerling van Jezus was
uit vrees voor de Joden,
aan Pilatus om het lichaam van Jezus te mogen wegnemen;
Pilatus stond het toe.
Dus kwam hij en nam zijn lichaam weg.
39 Ook kwam Nicodemus,
die eerst ’s nachts bij hem gekomen was,
en bracht een mengsel van mirre en aloë mee,
zo’n honderd liter.
40 Dus namen zij het lichaam van Jezus
en wikkelden het in linnen met de aroma’s,
zoals men bij de Joden gewoon is te begraven.
41 Op de plaats waar Jezus gekruisigd was.
was een olijfgaard;
in de olijfgaard was een nieuwe graftombe,
waarin nog nooit iemand was gelegd.
42 Omdat het de vooravond van het feest van de Joden was,
en omdat de graftombe dichtbij was,
legden ze Jezus daar neer.
de hoofdstukken 18 en 19 opnieuw uit het Grieks vertaald.
Johannes 18
1 Na dat gezegd te hebben,
ging Jezus weg met zijn leerlingen
naar de overkant van de beek Kidron;
daar was een olijfgaard,
die hij met zijn leerlingen binnenging.
2 Ook Judas – zijn verrader – kende die plek,
want vaak was Jezus daar
met zijn leerlingen samengekomen.
3 Judas nu nam een afdeling soldaten mee
en dienaren uit de kring van overpriesters en Farizeeën
en kwam daar naartoe met fakkels,
lampen en wapentuig.
4 Jezus wist wat er allemaal op hem afkwam;
hij ging eruit en zei tot hen:
Wie zoeken jullie?
Jezus van Nazareth!
Hij zei tot hen:
Dat ben ik.
Ook Judas – zijn verrader – stond bij hen.
6 Toen hij tot hen zei ‘ik ben het’,
liepen ze achteruit
en vielen ze ter aarde.
7 Nogmaals vroeg hij hen:
Wie zoeken jullie?
en zij zeiden:
Jezus van Nazareth!
8 Jezus antwoordde:
Ik heb jullie toch gezegd dat ik het ben?!
Als jullie mij dus zoeken,
laat hen dan gaan!
9 (opdat het woord vervuld zou worden
dat hij gezegd had:
Van hen die Gij mij gegeven hebt,
heb ik niemand in het verderf gestort).
10 Simon Petrus had een zwaard,
trok het, sloeg in op de knecht van de overpriester
en hakte hem het rechteroor af;
de naam van die knecht was Malchus.
11 Maar Jezus zei tot Petrus:
Steek het zwaard in de schede;
de beker die de Vader mij heeft gegeven,
zou ik die niet drinken?
12 De afdeling soldaten, de bevelhebber
en de dienaren van de Joden
grepen Jezus, boeiden hem
13 en brachten hem eerst naar Annas;
hij was de schoonvader van Kajafas,
die hogepriester was, dat jaar.
14 Kajafas had overlegd met de Joden
dat het beter is dat één mens sterft
in plaats van het volk.
15 Simon Petrus volgde Jezus,
en nog een andere leerling.
Die leerling was een bekende van de overpriester
en ging met Jezus de hof van de overpriester binnen,
16 maar Petrus bleef buiten bij de deur staan.
Toen kwam de andere leerling
- de kennis van de overpriester – naar buiten,
sprak met de deurwacht
en leidde Petrus naar binnen.
17 Het meisje dat deurwacht was zei toen tot Petrus:
Ben jij ook niet een van de leerlingen
van die mens?
Hij zei:
Ik ben het niet.
18 Daar stonden ook de slaven en de dienaren,
die een vuur gemaakt hadden,
want het was koud, en ze warmden zich.
Ook Petrus stond bij hen zich te warmen.
19 De overpriester ondervroeg Jezus
over zijn leerlingen en over zijn leer.
20 Jezus antwoordde hem:
Ik heb vrijuit gesproken voor de wereld,
ik heb altijd onderricht in synagoge en tempel,
waar alle Joden bijeenkomen
en ik heb niets in het geheim gezegd.
21 Wat vraagt u me dan?
Vraag liever de hoorders wat ik hen gezegd heb!
Zij weten wat ik heb gezegd.
22 Toen hij dat gezegd had,
gaf een van de dienaren die erbij stond
Jezus een vuistslag en zei:
Zó antwoord geven aan de overpriester?
23 Jezus antwoordde hem:
Als ik iets verkeerd heb gezegd,
vertel me dat verkeerde;
maar als ik het goed heb gezegd,
waarom slaat u me dan?
24 Toen zond Annas hem geboeid
naar Kajafas, de hogepriester.
25 Simon Petrus stond zich te warmen.
Ze zeiden tegen hem:
Ben jij ook niet een van zijn leerlingen?
Hij ontkende het en zei:
Ik ben het niet.
26 Toen zei een van de slaven van de overpriester
- een verwant van wie Petrus het oor had afgehakt -:
Heb ik u niet in de olijfgaard gezien met hem?
27 En weer ontkende Petrus het
en meteen kraaide er een haan.
28 Dan brengen ze Jezus van Kajafas
naar het garnizoensgebouw;
het was vroeg in de morgen;
ze gingen het garnizoensgebouw niet binnen
om zich niet te verontreinigen
maar het Pascha te kunnen eten.
29 Dus kwam Pilatus tot hen naar buiten en zegt:
Welke aanklacht brengen jullie in
tegen deze mens?
30 Zij antwoordden en zeiden tot hem:
Als hij geen boosdoener was,
hadden we hem niet aan u overgeleverd.
31 Toen zei Pilatus tot hen:
Neem hem maar weer mee
en oordeel hem naar jullie wet.
De Joden zeiden tot hem:
Het is ons niet geoorloofd
iemand ter dood te brengen
32 (opdat het woord van Jezus vervuld zou worden
waarmee hij aangaf welke dood hij zou gaan sterven).
33 Pilatus ging het garnizoensgebouw weer in,
riep Jezus en zei tot hem:
Bent u de koning van de Joden?
34 Jezus antwoordde:
Zegt u dat uit uzelf,
of hebben anderen u over mij verteld?
35 Pilatus antwoordde:
Ik ben toch geen Jood?!
Uw volk en de overpriesters
hebben u aan mij overgeleverd;
wat hebt u gedaan?
36 Jezus antwoordde:
Mijn koningschap is niet van deze wereld;
als mijn koningschap van deze wereld zou zijn,
dan zouden mijn dienaren gevochten hebben,
om te voorkomen dat ik
aan de Joden zou worden overgeleverd;
maar mijn koningschap is niet van hier.
37 Toen zei Pilatus tot hem:
Dus u bent geen koning?
Jezus antwoordde:
U zegt dat ik koning ben….
Hiertoe ben ik geboren
en hiertoe ben ik in de wereld gekomen
om te getuigen van de waarheid;
iedereen die uit de waarheid is,
hoort naar mijn stem.
38 Zegt Pilatus tot hem:
Wat is waarheid?
Toen hij dat had gezegd,
ging hij weer naar buiten naar de Joden
en zei tot hen:
Ik vind geen enkele schuld in hem.
39 Het is gewoonte bij jullie
dat ik je op het Pascha iemand vrijlaat;
willen jullie dat ik je
de koning van de Joden vrijlaat?
40 Weer schreeuwden ze en zeiden:
Niet hem, maar Barabbas!
Barabbas was een misdadiger.
Johannes 19
1 Toen nam Pilatus Jezus en liet hem geselen
2 De soldaten vlochten een krans van dorens,
zetten die op zijn hoofd
en deden hem een purperen kleed om.
3 Ze kwamen op hem toe en zeiden:
Gegroet de koning van de Joden!
en ze dienden hem vuistslagen toe.
4 Weer kwam Pilatus naar buiten
en zegt tegen hen:
Zie, ik breng hem weer naar buiten bij jullie,
opdat jullie weten dat ik
geen enkele schuld in hem vind.
5 Toen kwam Jezus naar buiten,
met de doornenkroon op
en het purperen kleed aan,
en hij zei tot hen:
Zie de mens.
6 Toen dan de overpriesters en de dienaren hem zagen,
schreeuwden ze en zeiden:
Kruisig hem! Kruisig hem!
Pilatus zei tot hen:
Nemen jullie hem en kruisigt hem,
want ik vind in hem geen schuld.
7 De Joden antwoordden hem:
Wij hebben een wet
en volgens de wet moet hij sterven,
want hij heeft zichzelf zoon van God gemaakt.
8 Toen Pilatus dit woord hoorde,
werd hij nog banger,
9 ging weer het garnizoensgebouw in
en zegt tot Jezus:
Waar bent u vandaan?
Maar Jezus gaf hem geen antwoord.
10 Dan zegt Pilatus tot hem:
Spreekt u niet met mij?
Weet u niet dat ik macht heb u vrij te laten
en macht u te laten kruisigen?
11 Jezus antwoordde:
U hebt geen enkele macht over mij,
tenzij die u van boven is gegeven.
Daarom heeft hij die mij aan u overlevert,
groter zonde.
12 Van toen af zocht Pilatus hem vrij te laten;
maar de Joden schreeuwden en zeiden:
Als u die vrijlaat,
bent u geen vriend van de keizer!
Ieder die zich koning maakt,
protesteert tegen de keizer.
13 Toen Pilatus die woorden gehoord had,
bracht hij Jezus naar buiten
en ging op de rechterstoel zitten
op een plek genaamd Lithostrotos (Steenstraat),
in het Hebreeuws Gabbatha.
14 Het was de vooravond van Pasen,
rond het zesde uur;
en hij zegt tegen de Joden:
Zie, jullie koning.
15 En die schreeuwden:
Weg, weg, kruisig hem!
Pilatus zegt tot hen:
Moet ik jullie koning kruisigen?
De overpriesters antwoordden:
We hebben geen koning behalve de keizer.
16 Toen leverde hij hem aan hen over
om gekruisigd te worden.
Zij namen Jezus
17 en het kruis meetorsend
ging hij naar de zogeheten Schedelplaats,
in het Hebreeuws Golgotha.
18 Daar kruisigden ze hem
en met hem nog twee anderen aan weerszijden
en Jezus in het midden.
19 Pilatus had ook een opschrift geschreven
en liet dat op het kruis plaatsen;
er stond geschreven:
Jezus van Nazareth,
de koning van de Joden
20 Veel Joden lazen dat opschrift,
want die plek waar Jezus gekruisigd werd,
was dicht bij de stad;
het was in het Hebreeuws, Romeins en Grieks geschreven.
21 De overpriesters van de Joden zeiden tot Pilatus:
Schrijf niet: de koning van de Joden,
maar dat HIJ gezegd heeft:
ik ben koning van de Joden.
22 Pilatus antwoordde:
Wat ik geschreven heb, heb ik geschreven.
23 De soldaten die Jezus gekruisigd hadden,
namen zijn kleren en maakten er vier delen van,
voor elke soldaat een deel,
en ook het hemd.
Het hemd was naadloos,
van bovenaf aan één stuk geweven.
24 Toen zeiden ze tot elkaar:
Laten we het niet scheuren,
maar erom dobbelen van wie het zal zijn
opdat het Schriftwoord vervuld werd:
Mijn kleding hebben ze onder elkaar verdeeld
en over mijn mantel het lot geworpen.
Dat deden dus de soldaten.
25 Bij het kruis van Jezus stonden
zijn moeder en de zus van zijn moeder,
Maria van Klopas, en Maria Magdalena.
26 Toen Jezus zijn moeder zag
en bij haar de leerling die hij liefhad,
zei hij tegen zijn moeder:
Vrouw, zie uw zoon.
27 Vervolgens zegt hij tegen de leerling:
Zoon, zie uw moeder.
Vanaf dat uur nam de leerling haar bij zich op.
28 Daarna, toen Jezus wist
dat alles al was volbracht, zei hij
om het Schriftwoord te vervullen:
Ik heb dorst.
29 Er lag daar een vat vol wijnazijn;
ze staken een spons vol wijnazijn
op een hysopstengel
en brachten die naar zijn mond.
30 Toen Jezus de wijnazijn genomen had,
zei hij:
Het is volbracht –
en hij boog het hoofd en gaf de geest.
31 De Joden nu vroegen Pilatus
omdat het de vooravond van het feest was
en de lichamen niet op het kruis zouden blijven
op de sabbath
- want groot was de dag van die sabbath –
om hun benen te breken
en dat ze weggenomen zouden worden.
32 Dus kwamen de soldaten
en braken de benen van de eerste en van de andere,
die met hem gekruisigd waren.
33 Toen ze bij Jezus kwamen
en zagen dat hij reeds gestorven was,
braken ze zijn benen niet,
34 maar een van de soldaten
doorboorde met een speer zijn zij
en direct kwam er bloed en water uit.
35 Die het gezien heeft, heeft een getuigenis afgelegd
en zijn getuigenis is waar
en hij weet dat hij de waarheid spreekt
opdat ook jullie tot geloof komen.
36 Dat is gebeurd opdat het Schriftwoord werd vervuld:
Zijn beenderen zullen niet worden gebroken
37 en nog een ander Schriftwoord zegt:
Zij zullen zien op hem, die zij doorstoken hebben
38 Daarna vroeg Jozef van Arimathea,
die in het geheim een leerling van Jezus was
uit vrees voor de Joden,
aan Pilatus om het lichaam van Jezus te mogen wegnemen;
Pilatus stond het toe.
Dus kwam hij en nam zijn lichaam weg.
39 Ook kwam Nicodemus,
die eerst ’s nachts bij hem gekomen was,
en bracht een mengsel van mirre en aloë mee,
zo’n honderd liter.
40 Dus namen zij het lichaam van Jezus
en wikkelden het in linnen met de aroma’s,
zoals men bij de Joden gewoon is te begraven.
41 Op de plaats waar Jezus gekruisigd was.
was een olijfgaard;
in de olijfgaard was een nieuwe graftombe,
waarin nog nooit iemand was gelegd.
42 Omdat het de vooravond van het feest van de Joden was,
en omdat de graftombe dichtbij was,
legden ze Jezus daar neer.
Abonneren op:
Posts (Atom)



