Posts tonen met het label Verhaal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Verhaal. Alle posts tonen

2 september 2012

Overstapdienst met de zandtovenaar


Vanmorgen hadden we in Velp de overstapdienst. wat dat is? Kinderen die doorgaans 12 jaar zijn en de basisschool hebben verlaten, stappen over naar de tienerkerk. Het is echt een overgangsritueel. Thema vandaag was 'Licht dat met je meegaat'. We hadden e.e.a. met de ouders voorbereid. Die droegen bijbelgedeeltes aan en liederen van vroeger en van nu. Zo was er voor elck wat wils...
We lazen uit Genesis 1 dat God het licht tevoorschijn roept. Het gebed voor de nood van de wereld werd ondersteund met twee zinnen uit 'Shine a light' van de Stones: May the good Lord shine a light on you, warm like the evening sun. Uit Mattheüs 5 lazen we: zet je licht niet onder een emmer, maar op een standaard, zodat hij licht geeft voor ieder die in huis is. En we zongen het héél oude kinderversje: Jezus zegt dat hij hier van ons verwacht dat wij zijn als kaarsjes, brandend in de nacht.

Toen kwam de zandtovenaar: Gert van der Vijver. Als je voor een bijeenkomst iets heel unieks nodig hebt, iets wat ontroert vanwege de schoonheid en de impact - vraag hem dan te komen, zie zijn website hier. Klik op het stukje sand en zie wat er gebeurt. Bij ons waren de kerkgangers sprakeloos, inclusief de jeugd; er werd tussendoor spontaan geapplaudiseerd! Daarop zongen we de negrospiritual 'This little light of mine, let it shine'. Dit paste helemaal bij het thema.

Het overstapritueel, dat hierop volgde, was heel ontroerend. Acht kinderen kwamen met 16 ouders (allemaal, dus!) op het podium. Eén van de ouders sprak het kind kort toe met een herinnering, iets over zijn/haar karakter, een spreuk, een zegenwens, een levenswens, enzovoort. De andere ouder stak de doopkaars aan aan de paaskaars. Als je gedoopt wordt, krijg je via een doopkaars het licht van Pasen mee, als het ware. Iemand anders pakte een rugzak, met daarin al kadootjes van de kinderkerk en de tienerkerk, en een USB-stick met wat dingen van mijn hand. Eén van de ouders deed het eigen kadootje er nog bij, ik gaf hen een witte roos, en met rugzak om en doopkaars en roos in de hand gingen ze van het podium  af (een voor een). Toen alle kinderen onderaan stonden met de brandende kaars, liepen ze onder muziek van De Dijk (De vonk; het vuur moet blijven branden) naar de andere kant van de zaal, waar ze werden opgewacht door de tienerkerk. Ondertussen gaven ze in de zaal hun witte roos weg aan mensen die ze even in het zonnetje wilden zetten, zoals de man die door een gift de zandtovenaar mogelijk maakte. De jongeren van de tienerkerk hadden ondertussen sterretjes aangestoken; uit de kerkzaal zwaaiden we hen zo uit... Veel ouders, ouderen en kinderen waren ontroerd en aangedaan. Echt een geslaagd overgangsritueel!

Omdat het toen al erg laat was, heb ik m'n overdenking ingekort tot vier minuten. Eigenlijk had ik de brief voor willen lezen, die ik aan de overstappers heb geschreven en die op de USB-stick staat; maar dat zou veel te veel geweest zijn. Die brief vind je hier. Aansluitend zongen we Ik wandel in het licht met Jezus. Daarna volgden de gebeden, collecten en het slotlied (Gezang 423) met daarin als tweede vers: Licht Gij ons met uw stralen, o licht der wereld, voor... We sloten af met de zegen.

Organist Gert Jan Jongerden was vandaag de pianist van dienst - geweldig! Ook hij kreeg applaus. We begonnen rond 10 uur en om 11:30 was het pas afgelopen. Maar er was zoveel en het was zo gevariëerd en boeiend, dat ik er geen enkele klacht over heb gehoord. Het enige jammere was, dat het - ondanks een geslaagde test op zaterdag - niet lukte de mensen met kerkradio te bereiken - helaas. Maar al met al echt een memorabele happening, goed voor iedereen!



26 september 2010

Arm en rijk

-

Een wijze rebbe, die de meeste tijd doorbracht met het geven van onderricht en het bezoeken van zieken en stervenden, was met het bestuur van de synagoge overeengekomen, dat ze hem niet met allerlei kleinigheden moesten lastigvallen. Die moesten ze zelf maar regelen.

Op een dag zag hij bij de ingang van de synagoge aan de muur een collectebus hangen. Direct riep hij het bestuur bij zich. 'WAT hebben jullie gedáán?! Een offerblok geplaatst, een collectebus opgehangen! SCHANDE is het, gróte schande!'

Aarzelend vroeg iemand, waarom dat zo'n schande was, waarop de rebbe antwoordde: "Tot nu toe was het bij ons de gewoonte, dat we een arme zelf een aalmoes gaven; dan stond je oog in oog met een ellendige, en zag je met eigen ogen z'n armoe. Door dat offerblok kun je voortaan je ogen sluiten. Uit de pot wordt dan aan de armen gegeven, maar je hart zal niet meer worden geraakt door de nood van de armen".
-

Arm en rijk

-
Een rijke Jood die het helemaal gemaakt had in een Godvergeten leven, kreeg tenslotte heimwee, heimwee naar de vreugde en gezelligheid van zijn jeugd, hoe ze vroeger samen Pesach vierden en zijn moeder zich tot het uiterste inspande om met eenvoudige middelen een feestelijke sedermaaltijd op tafel te toveren en zoals iedereen van de jongste tot de oudste daarin een rol kreeg… en dan die geheimzinnige lege stoel voor Elia en de deur op een kier… O, als hij dat nog weer eens kon vieren en meemaken…

Hij dwaalde door de stad keek in de winkels met alle feestelijke uitstallingen van de sedermaaltijd. Maar wat had je precies nodig en waar kon hij het vieren, hij had immers kind noch kraai… Was Elia er maar, die zou wel raad weten…

Maar wacht, wie liep daar met scherpe zoekende blik in schamele geitenvellen door de straten, als dat Elia niet was…

Diezelfde middag was de armste Jood van het stadje in opdracht van zijn vrouw naar de winkelstraat gegaan, hij wist precies wat hij moest hebben, maar had geen soe op zak om ook maar iets te kopen, was Elia er maar, die zou wel raad weten… Maar wacht, die grote vorstelijke man daar, als dat Elia niet was…

Bij de mooiste winkel, met de beste spullen, liepen ze elkaar tegen het lijf, of althans daar begonnen ze verward tegen elkaar te praten: wat heb je nodig voor de seder? Oh, zei de arme; dit en dat, een etrog, bittere kruiden, een palmtak, een wilgetak, een mirtetak, een lamsboutje… Maar dat kost zo en zoveel… Oh, zei de rijke, maar dat is geen punt, kijk hier een stuk goud en koop wat je nodig hebt! De arme wist niet hoe dankbaar en hoe snel hij de winkel in moest komen om al het benodigde te halen. Hij bedankte de rijke wel 10 maal, maar die vond het geen punt, maar de rijke had nog wel één vraag: waar gaan we het nu vie-ren?

Oh, dat is geen punt, zei de arme, kom maar mee, en hij nam de rijke mee naar zijn eenvoudige woning, waar zijn vrouw en talrij-ke kinderen al gewassen en geboend vol spanning op de uitkijk stonden, de ohs en de ahs waren niet van de lucht, de rijke voelde zich vereerd en gelukkig, de stoelen stonden al klaar, en die ene stoel daar apart op de ereplek, dat moest wel de stoel voor Elia zijn en de rijke dacht, straks zul je zien dat deze arme gastvrije gastheer Elia is, maar nog terwijl hij dat dacht werd hijzelf met zachte doch dringende hand door de arme op Elia’s stoel ge-plaatst: Ik wist wel goede, gulle rijkerd, zei hij, dat je Elia was, stil, ontken het maar niet! ……
-

Arm en rijk

-
Er is een vertelling over een rebbe die een rijke man vraagt om door het raam naar buiten te kijken en te zeggen wat hij ziet. Daar buiten ziet deze rijke mensen, mannen, vrouwen kinderen, en ook bedelaars en schooiers. En dan vraagt de rebbe: Kijk eens in de spiegel, wat zie je nu? Zegt de rijke: gewoon, mijzelf. De rebbe: Kijk, dàt is nou het verschil: het raam is van glas en de spiegel is van glas, maar met een flinterdun laagje zilver erop - en je ziet alleen nog maar jezelf...

26 oktober 2009

Een andere wereld .....

-
Tijdens de herfstvakantie in Hongarije hadden we echt hondenweer. Dan blijft er weinig anders over dan binnenblijven, vrienden ontvangen, wat lezen of tv kijken, of de stad in, naar een museum of zo. Op een waterkoude, winderige dag waren we even in Székesfehérvár, de oude koningsstad van Hongarije. Er blijken wel 6 musea te zijn. We liepen rond en kwamen langs het poppenmuseum. We gingen even in de entree staan om onze handen wat te warmen. Toen werd onze aandacht getrokken door de muziek: liedjes van een speeldoos. Omdat we door en door koud waren, besloten we het museum maar te gaan bekijken. Er bleken 8 zalen met poppenhuizen, diorama's, speelgoed en nog veel meer te zijn. Ook van die opstellingen waarin poppen zelf ook weer spelen met poppen, die ook weer met microscopisch kleine poppetjes spelen... Wat ik helemaal niet had verwacht was, dat ik het heel leuk vond! Waarom? Wat is er zo leuk aan? Dat elk tijdperk z'n eigen poppen heeft, of dat elke sociale klasse een eigen wereldje heeft op poppenformaat?
Nee, wat me geweldig trof was het binnenstappen in de wereld van de verbeelding. Het deed me ineens denken aan hoe ik zelf ooit van een schoenendoos een kijkdoos maakte. Met gekleurd papier maakte je eerst een bodem van meerdere kleuren. Daarna plakte je er decors in, een landschap, een huisje, bomen, dieren, noem maar op. En mensen, natuurlijk. Als je alles dan goed erin gezet en vastgeplakt had met gluton, knipte je tenslotte een opening in de voorkant van de doos en plakte je er een hemel van sitspapier over. Dat laat licht door en geeft een prachtige kleur aan de wereld in de doos. Het was een toverwereld. Hoe kon dat nou? Je zit gewoon thuis in de kamer; je kijkt door het gat in die doos, en ineens ben je in een heel àndere wereld.... Ik heb daar altijd enorm van genoten.
Het mooiste was dan om met die kijkdoos langs de deuren te gaan en bij de mensen aan te bellen. "Alstublieft! Kijkdoos kijken voor een cent!" riep je dan, als er werd opengedaan. De cent gleed in je broekzak, en dan mochten ook die mensen zich even in die andere, wondere wereld wanen. Prachtig, toch?!
Ik heb Jezus wel eens uitgelegd niet alleen als de kerstman van Bethlehem, maar ook als de man met de kijkdoos. Hij laat ons immers een wereld zien waarnaar we verlangen. Deze wereld, maar dan toch anders. Vandaar....
-

















Vanmiddag heeft kleindochter Katja hier gespeeld, terwijl ik bezig was met het voorbereiden van een leerhuisavond over Genesis 2 en 3, over de tuin en de mensen. Ze vroeg wat ik voor mijn (voorbije) verjaardag wilde hebben. Ik zei: een kijkdoos. Ik gaf haar knip- en plakmateriaal en een schoenendoos en gekleurd papier en heb me er verder niet mee bemoeid. Op een gegeven moment zei ze: 'Opa, ik maak een park'. Zie hier wat het geworden is: de hof van Eden, toch?! We hebben er met geen wóórd over gesproken - en zij maakt het!

4 januari 2009

Wijzen uit het Westen

Het is bijna Driekoningen, het feest waarmee het kerstfeest wordt afgesloten. Na Driekoningen wens je elkaar geen gelukkig nieuwjaar meer; na Driekoningen wordt de kerstboom opgeruimd en alle kerstversiering weggehaald. Als je thuis een kerststalletje hebt staan, dan zijn de drie wijzen met hun kamelen en geschenken inmiddels bij de stal aangekomen. In het Bijbelverhaal horen we dan, dat ze de nieuwgeboren koning der Joden aanbidden en dan huiswaarts keren. Zo is het toch, heel in het kort?

Ja, in het kort wel; maar dan hebben we wel een paar dingen weggelaten. We hebben het dan niet gehad over de ster, die ze hebben gezien; we hebben het niet gehad over waar ze vandaan kwamen en over hun kado’s; en – wat veel belangrijker is – we hebben het niet gehad over hun ontmoetingen in Jeruzalem en Bethlehem.

Drie koningen: Caspar, Melchior en Balthasar; vgl. boerderijen in Duitsland. Ze vertrekken uit hun verre land. Welk land was dat, trouwens? In het Grieks staat er: Anatolië. Dan denken we aan het oosten van Klein-Azië. Maar Anatolië betekent: land waar de zon opgaat. Oriënt, in het Latijn. Dus: het oostelijk gebied. Daarom kan Anatolië in èlk land gelegen zijn. Ze komen in ieder geval uit het oosten, dat mag duidelijk zijn. Naar mijn mening besteden we als westerse theologen veel en véél te weinig aandacht aan dat oosten. Daarop wil ik wat voortborduren en de wijzen naar onze tijd toe halen.

Ik stel mij zo voor dat die drie wijzen bestonden uit een zakenman, een wetenschapper en een wijsheidsleraar. Of en hoeveel vrouwen erbij waren, is mij helaas niet bekend en de traditie zegt er ook niets over, maar niets is onmogelijk. Dat laat ik dan maar aan uw eigen inbeeldingsvermogen over.

De zakenman heeft langs de zijderoute goed handel gedreven en kan er best eens een paar weken tussenuit. Zéker in die slappe tijd na de Kerst. De inventarisatie, de balans en de uitverkoop kan hij wel zolang aan z’n personeel overlaten. Als cadeau voor dat koningskind neemt hij een staaf goud mee. Een cadeau dat waardevast is en dat roest noch mot verslinden. Bovendien, denkt hij, past dat wel bij een koningskind; het heeft een prachtige glans, is duurzaam, is bijzonder zuinig in gebruik en straalt daarnaast ook heerlijkheid, aanzien en voornaamheid uit. Een genoegen om naar te kijken. Een beetje koning bekleedt van alles met goud. Hij is dus reuze benieuwd hoe zijn cadeau in het paleis ontvangen zal worden.

De wetenschapper is een allrounder. Bijna een universele geleerde. Hij weet niet alleen veel van sterrenkunde en van natuurkunde, maar ook van biologie en de geneeskunst. Hij is het die die bijzondere samenstand (conjunctie) van Venus en Jupiter heeft gezien, plus de komeet van Halley erbij. Hij heeft onderweg dus ook een prima navigatiesysteem tot zijn beschikking, want de koude winternachten in het verre Oosten zijn kraakhelder. Een tom-tom heeft hij niet nodig.

Samen met z’n collega’s heeft hij de oude boeken bestudeerd; ze zijn tot de conclusie gekomen dat ze richting Jeruzalem moeten reizen en dat het om een koningskind gaat. Hij brengt een doos zalf mee, voor de schrale billetjes. Maar niet zómaar een babyzalf van een onbekend merk! Door een bevriende apotheker heeft hij het beste van het beste laten klaarmaken; een heerlijk geurende mirre is het geworden. Die wordt ook gebruikt om een koning te zalven, om wonden te verzachten en om doden te balsemen. Dat laatste lijkt hem wel wat ver gezocht bij zo’n pasgeborene, maar ja… Dat staat nu eenmaal ook in de bijsluiter, als toepassingsmogelijkheid.

De derde wijze is wijsheidsleraar. Hij komt uit een klooster in Tibet, is opgegroeid bij de boeddhistische leer en levenswijze en weet van rust, inkeer en innerlijk licht. Hij weet van eerbied voor het leven; de grondslag voor zijn ethiek is de compassie, en hij leeft in alle soberheid, zonder uiterlijk vertoon, maar met liefde voor elke mens die op z’n pad komt. Als hij thuis in de tempel zijn gebeden uitspreekt, steekt hij altijd wat geurige wierook aan, die opstijgt ten hemel. Niet om een of andere god te behagen, maar als teken ervan dat er in het leven zoveel is wat ons begrijpen overstijgt en wat we niet in ons denkraam geforceerd krijgen. Daarom heeft hij een cederhouten kistje met allerlei soorten wierook meegenomen voor het koningskind. Want zo’n kind zal toch ook moeten beseffen, hóeveel er is dat onze macht en ons denken en begrijpen te boven gaat?! Hoe kun je óóit koning zijn, als je dat besef niet hebt?

Zo komen ze aan in Jeruzalem. Er hangt een grimmige sfeer, net als in onze dagen. Het land lijkt wel in oorlog. Er zijn rellen en opstanden. Ze voelen zich wat ‘unheimisch’. En de ontvangst aan de paleispoort is ook niet je dat. De koning wil niks van hen weten en stuurt hen naar een dorp, 10 km. daar vandaan naar het Zuiden, naar Bethlehem. Als ze wat vinden mogen ze het komen melden; maar verder wil hij er niks van weten. Zo druipen ze af; dit is hun eerste confrontatie met de wereld van het Westen.

Ze vinden onderdak in een herberg, waar nog méér gasten zijn. Er is net een volkstelling geweest; de meeste mensen zijn weer naar huis, behalve enkele reizigers. ’s Avonds zitten ze aan tafel met nog drie andere mensen. Die zijn van nog verder westwaarts gekomen. En de verhalen gaan over de tafel. Wat ze doen, waarvoor ze gekomen zijn, wat hun plannen zijn….

Die andere drie vertellen ook hun verhaal.
De eerste is journalist. Hij heeft als opdracht alles te weten te komen over een koningskind, dat geboren zou zijn. Hij moet de ouders interviews afnemen, foto’s maken en een sfeerrapportage verzorgen voor thuis. Persoonlijk interesseert het hem niet bijzonder, maar het is nou een keer z’n werk. Als cadeau biedt hij de ouders en het kind een fotosessie voor zijn krant aan, is de bedoeling. De drie oosterlingen zijn verbaasd; maar goed, zo kun je óók naar de dingen kijken: als nieuws.

De tweede is ontwikkelingswerker. Hij heeft gehoord dat er in dat land een enorme armoede heerst en dat er nodig geholpen moet worden. Mensen hebben geen engelse WC, geen goed waterleidingsysteem en de dingen die ze op het land verbouwen, consumeren ze zelf. terwijl er ook best handel in zit. Als cadeau heeft hij een gebruikte fax meegebracht, die bij hen toch nie-mand meer nodig heeft, maar die best nog een paar jaar dienst kan doen. Er zit ook nog een reserve-afdrukrol bij. Horen ze er toch óók een beetje bij. De drie oosterlingen denken: horen ze er zonder die handel en zonder die fax dan niét bij? Hebben ze zonder dat spul dan geen menselijk of menswaardig bestaan? Wat is dat toch?

De derde reiziger is een dominee. Hij heeft veel over Jeruzalem en het joodse land en volk gehoord en is nu zelf gekomen om eens rond te kijken. Van die journalist hoorde hij onderweg van dat geboren koningskind – en dat trof hij dus enorm. Hij heeft wel gehoord van het huis van koning David en van diens band met de hemel en van zijn koningschap dat hij als een soort herder vervulde. En als dat pasgeboren kind daarmee te maken heeft, is er voor miljoenen een nieuwe weg geopend om in de hemel te komen, vertelt hij.

De drie oosterlingen kijken elkaar aan en fronsen hun wenkbrauwen. Die man heeft het kind nog niet eens ontmoet, maar wel al een heel plan en een hele constructie klaar over de betekenis ervan. Hoeveel ruimte blijft er dan nog over voor een èchte ontmoeting?

De volgende dag gaan ze naar de stal, die achter de herberg blijkt te zijn. De journalist rent heen en weer om foto’s te maken en interviews af te nemen. De ontwikkelingswerker legt uit hoe de fax het nog wel een poosje zou kunnen doen en hoe ze met het fokken van goeie woldragende schapen een goeie handel zouden kunnen opzetten. En ook is er wel een markt voor schapenkaas, in het westen. Een kwestie van even een fax, en het komt rond. De dominee staart naar het kind; goddelijk, toch?! Maar tegelijk ook zo hulpeloos en zo kwetsbaar. Waar is nou de almacht van God? Hoe kan een kind eigenlijk de weg naar de hemel wijzen? Hoofdschuddend kijkt hij wat toe.

Wel merken de drie westerlingen dat het heerlijk ruikt in de stal; de hemelse sfeer van wierook hangt daar. En de dominee ziet zijn gebeden voor de verlossing van de wereld als wierook ten hemel stijgen en door het strooien dak verdwijnen. Wanneer Maria de heerlijk geurende zalf voor de billen van Jezus gebruikt en het tevens ook als tepelzalf benut omdat ze last van kloofjes heeft die vreselijk pijn doen, weet de journalist niet wat hij nou voor plaatje moet schieten. Er komt niet veel van terecht. En het kind? Dat strekt de handen uit naar het warmglanzende, stralende goud; er lijkt hemelse herkenning te zijn. Het is als een licht in hun midden.

Wanneer de herbergier binnenkomt om te vragen of alles naar wens is, stelt Maria hem de goudstaaf ter hand. Voor haar is het kind méér, dan àl het goud van de wereld. De ontwikkelingswerker verbijt zich over zóveel economisch onbenul. Daar had ze toch veel méér mee kunnen doen?

Verbijsterd keren de drie westerlingen huiswaarts. Verbijsterd, over zoveel verspilling, zoveel onbegrip voor wat handel zou kunnen zijn en over de armoedige manier van communiceren. En of ze daar in het oosten iéts begrepen hebben van de weg naar omhoog? De dominee betwijfelt het.

Ook de drie oosterlingen keren huiswaarts. Als ze thuis hun verhalen mogen vertellen, glimlachen ze naar elkaar. De zakenman vertelt wat hij heeft geleerd over de waarde van goud en goed – hoe betrekkelijk dat is, en hoe waardevol een mensenkind is… De wetenschapper vertelt hoe de mirre ook door de moeder gebruikt werd om haar kleine wonden te verzorgen; dat moeder en kind met hun pijnen en ongemakken één waren. En de wijsheidsleraar vertelt hoe hemels de wierook geurde en alles en iedereen als het ware met de hemel bekleedde, zodat het was alsof een hemels licht hen allen bescheen.

En dat over die drie westerlingen – dat verzwegen ze maar. Dat hebben ze aan niemand doorverteld. Daarom weten wij er eigenlijk ook niks vàn, of dat echt zo gebeurd is. Het had misschien wèl zo gebeurd kùnnen zijn. Maar daarover mag ieder voor zich nu na gaan denken.
-

3 januari 2009

Driekoningen











De legende van de vierde koning –
naar een oude Russische legende.

Wij weten niet zeker, hoeveel koningen de ster gevolgd zijn. In de traditie zijn het er drie: Balthasar, MeIchior en Caspar. Slechts weinigen weten, dat het er vier waren en dat de naam van die vierde koning Nicolaas was en dat het juist het hart van deze Nicolaas was, dat de prachtige stoet, toen die uit Babel vertrok, al vooruit reisde, de ster achterna, door hitte en koude, door woestijnen en over de bergen naar het westen, waar de kleine koning zich moest bevinden. Maar toen de koningen Jeruzalem bereikten en in Bethlehem het kind vonden en neerknielden om het hulde te brengen, ontbrak er één: Nicolaas. Wat was er gebeurd?

Het was al in Babel begonnen: zijn paard verloor een hoefijzer en moest door de smid nieuw beslagen worden. Toen Nicolaas eindelijk de anderen achterna kon rijden, viel de nacht in. Daar zit Nicolaas nu in de tent, die zijn knechten voor hem opgezet hebben.

Dan gaat aan de nachtelijke hemel stralend de ster op. Maar uit het donker doemen gedaanten op. Klagende stemmen bereiken Nicolaas’ oor. Het zijn enkele vrouwen en kinderen. Ze hebben honger en vragen om brood. Nicolaas geeft zijn knechten opdracht brood te brengen. Hij breekt het en deelt het. Zij nemen het en eten het. Maar Nicolaas weet, dat ze morgen weer honger zullen hebben. Daarom laat hij extra brood uit de stad komen. Met ezels wordt het aangevoerd.

Pas als na enkele dagen de honger gestild is, trekt Nicolaas verder. Hij weet zeker dat de kleine koning die hij zoekt, later óók zo zal doen. Hij zal de hongerigen spijzigen, de dorstigen te drinken geven, de naakten kleden en de zieken genezen.

Nicolaas rijdt verder. Maar overal waar hij komt, wordt hij belegerd door hulpbehoevenden: vaders, moeders, kinderen, bedelaars, zieken, bedroefden, gevangenen. En Nicolaas helpt. Hij troost, hij geeft wat hij heeft en rijdt dan weer verder.

Hij komt door vreemde landen waar oorlog woedt, waar bloed de aarde rood kleurt. Hij ontmoet een krijgsgevangene en neemt, vele jaren lang, diens plaats op de galeien in. Ziet Nicolaas de ster nog wel? Zal hij ooit de koning vinden? Zijn handen zitten vol blaren, maar zijn hart stroomt over van liefde. Dan laat men hem vrij.

Onderweg hoort hij een verhaal over een profeet, die armen en zieken om zich heen verzamelt en hun de goede boodschap van God brengt. Dan staat ineens die nacht de ster weer stralend aan de hemel. Zo bereikt Nicolaas Jeruzalem. Niet langer is hij een koning: hij is een bedelaar geworden. Hij rust uit op de berg en overziet de stad. Hij denkt diep na.

Dan hoort ineens geroep: "Kom mee! Er zullen twee dieven gekruisigd worden en de derde, dat is een koning!" Hij vraagt een man of hij iets weet. De man is bedroefd. Hij zegt: "Die derde die ze willen kruisigen, die koning, dat is een man van God! Al bij zijn geboorte zijn er wonderen gebeurd. Er kwamen zelfs drie wijze koningen om Hem te aanbidden." Nicolaas onderbreekt hem. Hij vraagt: "Zijn ze nog in de stad?" "Hier, in de stad?", vraagt de man verbaasd, "dat is toch al dertig jaar geleden gebeurd?" Nu vraagt Nicolaas: "Maar waarom willen ze die koning kruisigen?"

"Omdat Hij de Redder is", zegt de man zacht, "Hij deed alleen maar goed: Hij spijzigde de hongerigen, dorstigen gaf Hij te drinken, Hij genas de zieken, Hij troostte de treurenden, Hij bevrijdde de mensen, die gevangen zaten in hun ellende. Hij wilde de mensen laten zien, hoe God is: vol liefde en ontferming. Omdat Hij de Redder is, treft Hem dit lot." "Vertel mij nog meer van Hem", smeekt Nicolaas. Urenlang spreken ze met elkaar. Dan staat de man op en is Nicolaas weer alleen.

Het wordt opeens donker. Maar in die duisternis gaat weer stralend de ster op. Nicolaas staat op voor het allerlaatste stukje van zijn reis, geleid door de ster. Zo bereikt hij Golgotha. Daar vindt hij de Koning. Hij hangt tussen twee misdadigers in. Hij heeft dorst en vraagt om drinken. Een spons met azijn wordt omhooggestoken. Nicolaas is neergeknield onder het kruis. Hij fluistert: "Ik heb U gevonden. U laat ons zien hoe God is: vol liefde en ontferming. Cadeaus kan ik u niet meer geven, alleen maar mijzelf. Laat dat genoeg mogen zijn”.

En toen de grote Koning alles volbracht had, wat volbracht moest worden, en zijn hoofd ineens naar voren zakte terwijl Hij stierf, was het net alsof Hij het geschenk van Nicolaas nog aanvaardde. Zijn laatste kreet klonk door tot in de hoogste hemelen. En nog éénmaal straalde de ster hoog op. Daarna doofde hij uit.
-