17 april 2010

Jesaja 41

-
Regelmatig een bewerking van Jesaja, vrij vertaald uit de Hebreeuwse grondtekst.

Jesaja 41






Wees stil voor Mij, verre landen,
haal maar diep adem, kom dichterbij,
zullen we zien wie hier in z'n recht staat.

Wie heeft die `rechtvaardige'
uit het Oosten doen komen,
die volkeren prijsgeeft en koningen afzet,
hen najaagt op het pad van de vrede,
een pad dat ook hij nog niet kende?
Wie doet dit, wie zit hier achter?

Die jullie vanaf het begin heeft geroepen,
Ik ben het, de Alfa en de Omega.
Verre landen zagen het en werden bang;
ze beefden, ze kwamen bijeen,
ze helpen elkaar en zeggen nu: sterkte!

Dat wenst ook de vakman de godsmid,
die slaat op het aambeeld
en het vastzet met pinnen
zodat het niet wankelt.

Maar jij, Israël, mijn knecht,
nageslacht van Abraham mijn minnaar,
jou heb ik in de kraag gevat,
geroepen vanaf de overkant
tot jou zeg Ik: jij bent mijn knecht,
mijn oog viel op jou;

vrees niet, Ik ben met je,
wees maar niet bang, want Ik ben je God;
Ik heb je gesteund en geholpen,
je bij de hand gepakt.

Wie tegen jou tekeer gaan,
komen beschaamd uit;
wie ruzie zoeken met jou
gaan het verliezen;
denk je `Waar zijn ze?'
dan vind je ze nergens,
want Ik, Ik ben je God,
die jou bij de hand pakt,
die jou zal helpen
wees dus niet bang!

Jùllie zullen hen maaien, hen dorsen,
hoe hoog of verheven ze ook mogen zijn,
je zeeft hen;
als kaf neemt de wind hen dan mee;
wanneer dorstigen zoeken naar water,
dan geef Ik antwoord,

Ik verlaat jullie niet:
van de heuvels stroomt neer het water,
bronnen gaan open in de vallei,
de woestijn wordt één waterplas,
het droge land tot sprengen en beken.

De woestijn wordt een tuin
vol met de heerlijkste bomen,
de een naast de ander
in de hoop dat ze in zullen zien
dat Israëls God dit gedaan heeft,
dat zijn hand dit heeft geschapen.

Zoek je ruzie: kom dan dichterbij,
kom op met je argumenten;
leg uit wat gebeurt,
verklaar het verleden,
voorspel eens de toekomst!
Nee, doe eens iets goeds en iets kwaads,
waarvan we opkijken en vol ontzag zijn,
dat we denken: het zijn toch haast góden!

Maar jullie zijn niks, zinloze niksen,
en jullie kùnnen ook niks.
Ik roep iemand uit het Noorden,
die 's morgens mijn naam al aanroept;
machtigen vertreedt hij als bagger,
als een boetseerder vertrapt hij de klei.

Wie heeft dat van den beginne verteld
en van tevoren gezegd, zodat jullie 't beamen?
Toch niemand, die tot jullie spreekt?
Een blijde mare stuur Ik op je af,
Jeruzalem, dochter van Sion:
niemand aan wie Ik iets te vragen zou hebben,
niemand ook, die antwoorden zou;
zij immers zijn niets,
niks zijn hun daden,
leegte en wind zijn hun goden.
-

Geen opmerkingen: