Posts tonen met het label Jeugdherinneringen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jeugdherinneringen. Alle posts tonen

12 juli 2012

50 jaar The Rolling Stones



Wat heb ik met de Stones? Heel veel! Ik geniet nog altijd van hun muziek; ze gaan mee op reis. Ik ben er nooit meer van losgekomen! Hoe kwam dat? Hoe gebeurt zoiets? Waarom blijft dat?

Vanaf zomer 1960, toen ik naar de middelbare school ging, begon Radio Veronica vanaf de Noordzee uit te zenden op 192 meter. Muziek voor jongeren, eindelijk! Ik hoorde fantastische nummers, zoals van Elvis: Devil in disguise (mijn eerste singletje), Kiss me quick, etc. Luister maar:


Ik hielp zaterdags bij een bakker, en van m’n zelfverdiende geld kocht ik in Rotterdam ‘grammofoonplaten’, op de Coolsingel en in de Middellandstraat (vlak bij school). Ray Charles’ ’I can’t stop lovin’ you’ kocht ik ook. In muziek moest verdriet zitten, boosheid, teleurstelling, verlangen. Wat ik van binnen voelde maar niet kon uiten, wilde ik horen en beamen.

Van de Stones hoorde ik in 1964 nummers als ‘Come on’, en het ritmisch verrassende ‘Not fade away’. In de zomer van 1964 had ik als ‘vakantiebakker’ 6 weken lang een eigen bezorgwijk. Ik begon ’s morgens om 4 uur in de bakkerij, brood uit de ovens halen en op rekken leggen om te koelen, daarna snijden en verpakken. Vervolgens alle wagens laden, en om 9 uur de weg op; eerder mocht niet. Mijn wijk was het hele Noordeinde. Ik leerde mensen kennen, wat voor brood ze aten en hoeveel, of ze interesse hadden in beschuit, krentenbrood, abrikozentaarten of krakelingen. Met een grote bel die ik luidde, werden de mensen uit hun huizen gelokt om naar de bakkerskar te komen. ´Sport en spel met de bel´ was onze leus.

In het voorjaar had ik een klein Philips transistorradiootje gekocht – zó klein, dat het in m’n borstzak paste. Het draaide op zo’n 9V-blokje. Het zat in een mooi suède hoesje en had een behoorlijk geluid. Zo kon ik de hele dag Veronica aan hebben staan. En toen gebeurde het, ik denk in juli 1964: ‘It’s all over now’ – van de Stones. Precies de goede kreet van mijn puberziel, met magistrale slotaccoorden die prachtig uitlopen zodat je door blijft mijmeren – en nòg een slag, en nòg een! Als ik weer 100 meter moest rijden, stopte ik ondertussen om dit nummer uit te luisteren. Want het bleef maar komen, elk uur.


Het was voor mij een soort bekeringservaring: je voelt je ten diepste gekend en begrepen: juist wat je als puber zo nodig hebt, maar op school en thuis niet krijgt of vindt. En je geeft je over. Je kunt niet anders. En vanaf toen kocht ik elk singletje of ep-tje en elke lp die verscheen. Later werden dat de CD’s. M’n broer Willem Jan en ik hebben een hele rijke Stones-verzameling.

Little Queenie is zo’n topnummer:


Hier ‘Only Rock’n’Roll, samen met Tina Turner; twee podiumbeesten en topperformers!


Wat muziek betreft is het een heerlijke mix van blues en rock’n’roll, van ballads en hardrock. En het plezier en de vitaliteit die ze uitstralen, geweldig! De meeste dynamiek zit voor mij op de lijn naar de zwarte sterren, zoals Chuck Berry, Bo Diddley, Howlin’Wolf en natuurlijk Muddy Waters. Nummers als I’m a man, Mannish Boy, Little Red Rooster, Around and Around, It’s only rock’n’roll, Little Queenie – geweldig! Vooral de rocknummers: stomende, stampende dieselmuziek waardoor je niet meer stoppen kunt met dansen en bewegen. En dan die mooie riffs van Keith Richards, vaak afkomstig uit de blueswereld.... U begrijpt: dit is al 50 jaar genieten! Thank you, boys!

Tot slot het nummer wat ik het meest verfijnd vind qua muziek en tekst, om bij weg te dromen en weemoedig bij te worden: Winter.




And it's sure been a cold, cold winter
And the wind ain't been blowin' from the south
It's sure been a cold, cold winter
And the light of love is all burned out

It sure been a hard, hard winter
My feet been draggin' 'cross the ground
And I hope it's gonna be a long, hot summer
And the light of love will be burnin' bright

And I wish I'd been out in California
When the lights on all the Christmas trees went out
But I been burnin' my bell, book and candle
And the restoration plays have all gone 'round

It sure been a cold, cold winter
My feet been draggin' 'cross the ground
And the fields has all been brown and fallow
And the springtime take a long way around

Yeah, and I wish I'd been out in Stony Canyon
When the lights on all the Christmas trees went out
But I been burnin' my bell, book and candle
And the restoration plays have all gone 'round

Sometimes I think about you, baby
Sometimes I cry about you
Lord well well well

Sometimes I wanna wrap my coat around you
Sometimes I wanna keep you warm
Sometimes I wanna wrap my coat around you
Sometimes I wanna burn a candle for you

30 augustus 2010

Zakgeldboekje 1955

-
Tijdens de verhuizing kwam ik een doos tegen met jeugdherinneringen: matjes vlechten van de kleuterschool, tekenboekjes van de lagere school. Ook mijn zakgeldboekje uit 1955 vond ik terug. Toen was ik acht jaar aan het worden. Ik had de opdracht gekregen om van mijn zakgeld een boekhouding bij te houden. Mijn vader had het begin gemaakt; ik mocht het verder doen. Af en toe hielp hij mij ermee, dat zie je aan zijn toevoegingen.

Het was ook de tijd dat er ballpoints verschenen (zo heetten die toen). In het begin waren ze vreselijk: ze lekten en vlekten alle kanten op en schreven erg haperend. Dat kun je hier ook waarnemen, zie rechtsonder. Met inkt schrijven ging veel beter.

Wat zien we nog meer? Dat ik eigenlijk véél zakgeld kreeg! Ik zie bedragen variërend van 1-1,50 gulden. Ik zat op zwemmen, kocht graag nogablokken (zie tekening links), zat op gym, droeg bij aan de zending en 's zondags gaf ik geld in de kerkcollecte. Zoute griotten (wie kent ze nog?) vond ik ook lekker. De categorie bandplakken komt héél veel voor, valt op!

's Woensdags spaarde ik een kwartje. Daarmee ging ik dan naar het postkantoor. Dat was in een serre van een herenhuis aan de Nieuwstraat; het opengeschoven raam was het loket. Als ik mijn kwartje aan meneer Roggeveen gaf, kreeg ik daarvoor een plakzegeltje met een eekhoorn erop. "Wie spaart in de tijd, heeft wat in de nood",  herinner ik mij nog als de reclameleus van de Rijkspostspaarbank.

Luchtballonnen (10 ct.) en vishaakjes (2,5 cent) kom ik ook regelmatig tegen. En tabak, 85 cent. Voor een oom of opa gekocht, denk ik. Ook heb ik een keer een hark betaald (3,20); waarschijnlijk had ik er een opzettelijk gesloopt en moest ik die dus vergoeden. Zo werd ik door pa opgevoed. En een pan, voor 4,29. Droeg ik zóveel bij aan het huishouden? Wie zorgde er eigenlijk voor de inkomsten? Ik toch niet?

In de administratie komt ook voor dat ik op 27 juni 1955 één cent heb gevonden; die werd bij mijn kapitaal opgeteld. Cigaretten voor oom Wim: 50 ct. Rol pepermunt: 10 cent.

Op 29 augustus, dus precies 55 jaar geleden, kocht ik een springkikker voor 20 cent. Ik zie ze nog voor me: een blikken kikker-bovenkant, met daaronder een rubberen rolletje plus een slangetje met knijpbal eraan. Als je daarin kneep sprong de kikker een eind weg en moest je meerennen met je slangetje en je knijpbal. Eind september gaf ik 2,30 uit aan nieuwe klompen en 2,70 aan leren klompsokken, samen dus 6 gulden. Wel veel toen voor een kind van bijna acht jaar...
-

18 juli 2010

Herinnert u zich deze nog?

-
Bij het opruimen van ons huis voor de verhuizing naar Velp over een week kwam ik op zolder nog ouwe Top-40 lijsten tegen. Hierbij de oudste, van 28 september 1968. Op 20 staat Lovely Loretta van The Buffoons uit Enschede. En die LP vond ik vandaag ook! Heerlijk, die jeugdherinneringen.



20 mei 2010

Jeugdfoto's



Ach ja, wat een schatje... Zomer 1949, ik was toen anderhalf jaar. Witblond haar met pijpenkrullen. In de achtertuin van opa Mostert in Berkel. Een enorme wondertuin met veel bomen en struiken, een kippenren, een paardenstal, een waterpomp, een sloot en een bijna verdroogd riviertje (De Wildert) aan de achterkant.

Op de familiefoto zit ik op de arm van m'n moeder; m'n zus Ineke (3 jaar) zit vooraan opde bank. Opa staat erachter, oma zit rechts.



















-

18 mei 2010

Weerzien na 50 jaar

-
Berkel en Rodenrijs - Het idee kwam spontaan op tijdens een toevallige ontmoeting met een voormalig klasgenoot: de reünie die zaterdag 24 april werd gehouden voor de leerlingen die in 1960 bij elkaar in de klas zaten op de Hervormde School met de Bijbel aan de Kerkstraat in Berkel en Rodenrijs.

"Wij zaten in de klas van meester Lindeboom en dat was tevens zijn laatste jaar op de school," weet medeorganisator Anke van der Torre die sinds haar huwelijk als Van der Spek door het leven gaat. "Voorzover we hebben kunnen achterhalen leeft alleen meester Sloter nog." Samen met ]aap Olieman - beiden wonen in Berkel en Rodenrijs - werd het idee van de reunie verder uitgewerkt. "Via via achterhaalden we een fiks aantal adressen van leerlingen van toen, maar jammer genoeg ontbraken er een paar. Zo zijn we er niet achter gekomen waar Betty Boros, Ellie Smet en Barry van Straten gebleven zijn. Tijdens onze speurtocht kwamen we er tevens achter dat Elly Verseveld, Arie Roos, Aad van Herk en Nelly Aantjes inmiddels overleden zijn. Maar uiteindelijk reageerden ruim dertig klasgenoten van toen heel enthousiast op de uitnodiging er samen zaterdagmiddag een feestje van te maken."

Het was elke keer weer leuk te zien hoe een oud-leerling binnen kwam en vervolgens op zoek ging naar herkenning. Bij sommige gasten was die er snel, maar bij anderen was het even gissen. De partners van de klasgenoten stuurden vooraf al een levensloop in en ook heel wat oude schoolfoto's gingen van hand tot hand. Wat de meest gehoorde opmerking was van met name de oud-leerlingen die Berkel verruilden voor een andere woonplaats: "Wat is het hier veranderd; we kenden bijna niets meer terug. Wat vol en wat een drukte! Dat lijkt in niets meer op het Berkel van onze jeugd."




 
 
 
 
 
 
 
 
  -

9 december 2009

Hier woonden we

-
Dit is Nieuwstraat 2-4-6 in Berkel en Rodenrijs. Een foto uit de oorlog, uit 1942. Mijn moeder staat voor het steegje, dat naar het achterom leidt achter deze drie huizen. Voordeuren waren er niet; je kwam achter door de keukendeur binnen. aan de straatkant was de voorkamer, met twee ramen. Mijn moeder heeft hier vanaf haar eerste jaar (ze werd geboren in 1923) gewoond, met opa en oma Mostert en haar zus en broer. Toen mijn ouders oktober 1945 trouwden, kwamen ze hier te wonen. Opa en oma gingen inwonen bij meneer Verveen aan de Noordeindseweg 60.
Wij woonden op nummer 6, dus het derde stel ramen van de drie. In de zeventiger jaren zijn deze huisjes gesloopt. Nu is er de achterkant van de Chinees. Naast ons huis was een slagerij van Beukel, daarna volgde de eierhandel (met puntdak)van Bram Rodenburg waar ik als kind nog gewerkt heb voor een zakcentje [terwijl ik dit schreef, overleed deze man in Berkel op 84-jarige leeftijd]. Daarna het grote huis in de knik van de straat met die kantelen bovenop; dat was een herenhuis. In de serre van dat huis was het postkantoor. Het loket bestond uit het schuifraam van het huis, dat omhoog kon. Daar zat dan meneer Roggeveen. Van m'n ouders kreeg ik elke week een kwartje om te sparen. Dan ging ik naar het loket, legde mijn kwartje neer en kreeg dan een zegeltje met een eekhoorn. Dat werd in mijn spaarbankboekje geplakt. Verder kreeg ik 5 cent zakgeld.
Halverwege de straat, links, voor dat vierkante huis, had mijn opa een vrachtwagengarage. Je kunt de donkere schuifdeuren zien. Daarbinnen en daarnaast stonden de vrachtwagens. Daar gingen we vaak rozenbottels plukken, die mijn moeder verwerkte tot jam. Dat was een heidense klus: eerst heel lang koken, en dan door een passeerzeef persen, wat vanwege de schillen en de pitjes maar zeer moeizaam ging.
Voorbij dat vierkante huis stond een muziektent; vervolgens zie je de gevel van het gemeentehuis, waar pa werkte. Voor het gemeentehuis was een plein met een oorlogsmonument. Uiteraard is alles verplaatst of gesloopt. Alleen de Dorpskerk staat er nog. Van binnen is die zeer fraai en bijzonder, in een stijl die je zelden ziet, van rond 1750.
-

22 september 2009

Een garage met spin-off

-
Omdat we aan het begin van de straat woonden op nr. 1 op een doodlopend stukje, hadden we een hele grote tuin om het huis. Mijn vader had steeds allerlei auto’s en bedacht een keer dat hij een garage nodig had. Maar ja, die bouw je niet zomaar. En hoe kom je aan een goed ontwerp? Als sjacheraar wist hij overal een antwoord op. In die 50-er jaren kwamen overal zogeheten TBC-huisjes te koop. Dat waren kleine hokjes, kamertjes, op een onderstel dat ronddraaien kon. Zo kon het huisje met TBC-patiënt en al altijd naar de zon toe worden gedraaid. Al puzzelend kwam hij tot de slotsom dat hij drie van die huisjes nodig had.

Op een dag kwam er een vrachtwagen voorrijden met de delen van die huisjes. Met wat stukken beton en stoeptegels werd op de dragende plekken een soort fundering gemaakt. De draaistellen gingen eronder uit. De constructie was dat hij twee huisjes met de hogere voorkant tegen elkaar aanzette. Dat werd het midden van de garage. Er zaten ook ramen in van toen het nog TBC-hokjes waren. In de achterwand waar de auto doorheen moest, maakte hij garagedeuren (van de voorkanten die hij niet nodig had). Want waar de huisjes met de voorkant tegen elkaar aan stonden, was het midden van de garage; die wanden hield hij dus over voor de garagedeuren. Hij zette de Chevrolet erin – dat ging net. Maar dan kon je er niet meer uitstappen, bleek. De deur kon niet open. Dus zaagde hij precies op de plek waar de zijdeur van de auto was, nog een deur in de garage; deur? Nou ja, een gat, een deuropening. Als je de auto niet goed in de garage reed, kon het autoportier nog steeds niet open en moest je het overdoen: iets verder van de kant af, iets naar voren, iets terug...
Het derde huisje zaagde hij middendoor; de twee helften monteerde hij vervolgens tegen de zijkant van de garage. Dan was de zijkant met die deuropening afgeschermd, en hadden we gelijk een extra schuurtje. Je ging dus dat zijgedeelte in, dan links door de opening kon je deur van de auto openen en – na de garagedeuren geopend te hebben – eruit rijden. Een goeie vondst, met een prachtige spin-off, want het mooiste komt nog! Die draaistellen! Wat deed pa daarmee?
Hieronder staan we voor de nieuwe garage: links Willem Jan en Lies in rode manchester pakkies met grijze boorden. Lies ook met een geelbruin geblokte sjaal. Ik heb een bruine jas aan met koperen knopen; Ineke heeft een grijze jas. Op de achtergrond links zie je Rehoboth.
Twee onderstellen zette hij tegen de zijkant van de garage; die gingen later naar de ijzerhandel. Links op de foto zie je de houten delen van het ronde onderstel nog staan. Maar het derde legde hij neer in de tuin en maakte daarop voor ons en voor de hele buurt een draaimolen! Met een balk aan de zijkant en een handvat, waarmee je hem op snelheid kon brengen, zodat de kleine buurtkinderen kokhalzend eraf kieperden (ook spin-off). Als ‘ie eenmaal op snelheid was, ging hij met donderend geraas in de rondte. Daar waren die draaistellen niet speciaal voor gemaakt, maar het kòn wel! Net alsof de HSL langskomt, zo’n soort geluid. Of een goederentrein. Wie in het dorp had zo’n lekkere tuin met een enorme draaimolen? Juist! Alleen wij!
-

Het vliegend hert

-

















Voorjaar 1964, koninginnedag. We hebben de tandem versierd en maken een rondrit door het dorp. Het is een motortandem. Heel bijzonder dat deze foto gemaakt heeft kunnen worden, want bijna was ‘ie er niet meer geweest.
Hij was niet te tillen, zo zwaar. Hij leek wel van gietijzer gemaakt. Dat kwam misschien ook door de zware bakfietsmotor die eronder zat. In de fietsenstalling op school moest je hem met twee mensen achteraan optillen om een draai te kunnen maken (terugsteken). Anders moest je eindeloos heen en weer en draaien en sturen om eruit te komen. Het was een Eysink Renata (zie reclamefoto).
Als ‘ie eenmaal op gang was, was ‘ie niet meer te stoppen. Net een vliegend hert, dan. Dat je dan niet meer kon stoppen kwam door de snelheid, de enorme massa en de vrijwel afwezige remmen. Dat merkten we in dat voorjaar, ergens in maart. De narcissen bloeiden.
We gingen uit Berkel via de Boterdorpseweg naar Bergschenhoek en Hillegersberg, langs de Grindweg. Het fietspad was breed genoeg voor drie fietsers, dus je kon daar goed passeren. Op een doordeweekse morgen was het daar altijd behoorlijk druk met fietsers op weg naar school. Uit Rotterdam fietste jong volk richting Bleiswijk, om naar de tuinbouwschool te gaan. Maar wij gingen stadwaarts.
We hadden de vaart er goed in; het ging steeds beter; soms wat additieven in de tank, om nog harder te gaan. Maar het ging eigenlijk om het geurspoor, dat je dan achterliet; wat slaolie was het beste. Wat petroleum ging ook.
We halen vele fietsers in; af en toe zijn er ook tegenliggers. We ronken en snorren. We rijden voorbij het Vaantje, richting de Molenlaan. Daar zie ik een sliert tegenliggers opdoemen, Maar remmen kan niet meer – dan zouden we dwars door een rij scholieren vóór ons heengaan. Inhalen gaat ook niet meer; we rijden immers al op topsnelheid, en er is geen millimeter ruimte over om in te halen. Er blijft één noodgreep over: dan maar dwars door het plantsoen heen, bovenaan de Molenlaan. Tot onze verbazing en verbijstering denderen we gewoon door; de narcissen ploegen we uit de grond; die vliegen ons om de oren. Met nauwelijks verminderde vaart kunnen we een eind verderop onze weg vervolgen. De tandem was dan wel oud, maar hij reed nog vol luister, en zijn kracht was nog niet gebroken!
-

20 september 2009

De boze tuinman

-
Er was iemand bij de plantsoenendienst, die heel vaak de overkomende vliegtuigen stond te tellen. We noemden hem Gerretie. Dan stond hij te leunen op z’n schoffel en keek de vliegtuigen na van horizon tot horizon. Misschien was er bij hem een steekje los. We sarden hem, we daagden hem uit. En dan kwam hij achter je aan – het mooiste wat er is! Dat deden we ook een keer in de Kerkstraat. Alleen kan je daar maar weinig kanten op. De garage van van Herk kon je eventueel in, bij de Caltex-benzinepomp; maar ja, dat liep toch echt dood! In het rijtje diakoniehuisjes (zie links op de foto) was een poortje. Daar vluchtten we doorheen. Toen kwamen we op de binnenplaats, een soort hofje. Koster Eim de Ruiter woonde daar, geloof ik. Gerretie stormde achter ons aan; we zochten en zochten naar een uitgang – maar die was er niet. “Kom op, de schutting over!” riep Wim Buitenhuis. En als katten vlogen we tegen de betonnen schutting omhoog. Aan de andere kant kwamen we terecht in het laantje achter de Nieuwstraat, achter het huis van politieagent Roeleveld. We hoorden de klomp van Gerretie met een daverende klap krakend tegen de schutting versplinteren. Maar wij waren vrij!
-

Vast in de sneeuw

-












Als middelbare scholier werkte ik ’s zaterdags, rond de feestdagen en alle vakanties bij bakker Rodenburg in de Kerkstraat. Als ze ’s zomers 3 weken dicht waren, werkte ik die drie weken voor bakker van Velzen. Bakkerij Rodenburg zie je rechts op de foto van de Kerkstraat.
Met een transportfiets ging ik het bestelwagentje achterna, waarmee ze de buitengebieden aandeden. Het was een klein Engels ding (zie foto) en snorde als een Singer-naaimachine. Ik fietste dan wat boerenhoeves af met een mand vol brood (4- en 8-ponders zelfs), koek, krentenbollen, eierkoeken, chocoloaatjes, beschuit, noem maar op. Jarenlang ging ik mee met opa Klaas Rodenburg en Wim Verhoeff. Vaak zaten we in Rodenrijs en de Oude Lede. Ook kwam ik jarenlang achter het Berkelse spoor, achter Dirk Dijkshoorn aan. Die reed op een gemotoriseerde carrier, met een windscherm erop.
Opa Rodenburg was ook de jongste niet meer en had zwaar reumatische handen. Als hij reed kon hij dat alleen maar zo, dat hij het stuur als het ware doorgaf van de ene hand in de andere. Ik zat eens naast hem in dichte mist, op de Rodenrijseweg langs de vaart, terug naar het dorp toe. Dichte mist of niet, bij Havenaar nam hij gewoon met een noodgang de binnenbocht, dus over de linker weghelft; ik stond doodsangsten uit. Dit móest een keer fout gaan. Maar nee, het ging altijd goed. Tot zijn 96e heeft hij voor het bedrijf gewerkt. Toen hij 99 werd, gaf hij een groot feest, want – zei hij – je weet maar nooit of ik de honderd haal. En ziedaar: het feest was geweldig, en hij haalde de honderd niet…. Levenskunst, noem je dat.













In de winter van 1963 waren we in Rodenrijs; het was januari en het vroor 20 graden. Bij station Rodenrijs gingen we achter de spoorhuizen bij het Stationskoffiehuis het zwarte paadje op, om naar een boerderij te gaan. De sneeuw lag hoog opgewaaid. Ik zei: “Geef maar hier, ik ga er wel met de fiets heen”. Met de auto was geen doen. “Hoeft niet, lukt wel”, zei opa Rodenburg. Z’n ogen begonnen te glimmen. Hij reed met het bestelwagentje 25 meter achteruit, nam een aanloop – en ja: de rest van de middag hebben boeren en omwonenden geholpen om ons uit te graven. Ik heb er een licht bevroren duim aan overgehouden, die ’s winters nog wel eens gevoelig is.
-

Tante Anna en de brokken

-













In de Herenstraat was de grutterij van Treurniet; daar hoorde ook een oude, afgeknotte molen bij, waar vroeger natuurlijk van alles werd gemalen. Nu werden er grote zakken bietenpulp in opgeslagen. Dat was droog spul, licht van gewicht. Omdat die zakken zo groot waren, kon je er prachtig mee stapelen. In die oude molen bouwden we dan hele forten met gangen erin en kijkgaten. Je was dan echt even in een andere wereld.
Het complex was tussen de Kerkstraat en de sloot, die tussen de grutterij en bakker van Velzen liep. Op de foto heb je zicht op de bakkerswinkel van van Velzen; links zie je de in staat van afbraak zijnde grutterij, met daarachter de afgeknotte molen. Die zat helemaal onder de klimop. Later werd die molen afgebroken en verdween er een hele wereld.
De grutterswinkel was aan de straat. Daar kon je bonen, erwten, havermout, tarwe en nog veel meer kopen. Het lag allemaal achter de toonbank in grote houten bakken, waar het met een houten schep uitgeschept werd in een grauwbruine papieren zak. Die toon-bank was van prachtig gelakt hout, met een heel diepe glans.
Als je vanaf de straat binnenkwam, klonk er een belletje. Het was een hele grote ruimte; ik denk dat het een soort schuur bij de molen was geweest. Links was dan de toonbank met daarachter de grutterswaren; daar was ok ergens de huiskamer, waar tante Anna woonde. Rechts waren wat hokjes en een keuken. Maar het mooiste was dat je daar een wasstoep had, waar je dus binnendoor bij kon komen. Dan zat je ineens aan het water, in een andere wereld! Misschien werden daar vroeger ook de zakken gemalen koren ingeladen in het schip.
Maar het allermooiste was de woensdagmiddag. Als om 12 uur de school uitging, renden we de Kerkstraat uit naar de Herenstraat, naar tante Anna. Die stond dan in de grutterij op ons te wachten met blikken vol brokken. Boterbrokken, dus. Die bakte ze zelf. Ze waren donkerbruin en smaakten verrukkelijk! Als je achteraan in de rij stond, kon je pech hebben of geluk: of de brokken waren op, en dan kreeg je wat anders , of je kreeg een handvol stukjes – heerlijk! Elk schoolkind dat dat wilde, kon daar een lekkere brok halen. De rijen stonden tot op de straat. Een van mijn zoetste jeugdherinneringen! Het gaf een diepe verbondenheid: het gevoel samen met de anderen deel uit te maken van een zalig systeem….
-

19 september 2009

Het verloren zakgeld

-








Toen ik op de basisschool zat, mocht ik al zakgeld gaan verdienen, zeiden m'n ouders. Ze hadden een kennis die in het centrum van het dorp (in de Nieuwstraat) een eiergroothandel had. Daar stond een grote sorteermachine in de achterruimte. De voorruimte was bestemd voor de bestelauto, waarmee de eieren werden weggebracht. En daar stonden ook de eierkisten: houten kisten waarin 2x10 rekjes eieren pasten (op de foto zo'n kist, maar dan als speelgoedkist in gebruik).
Wat ik moest doen, was: eieren rapen. De sorteermachine tilde ze op, lichtte ze door met een lamp, woog ze, schoof ze eventueel verder door, net zolang tot ze er zachtjes van afrolden door hun gewicht. Dan wist je dus precies welk gewicht het ei had en in welke categorie het thuishoorde. Voor het van het weegpunt afrolde, kreeg het een rood stempel - en dat is nog zo. Ik heb het nu over 1959...
Ze rolden via een zachte baan naar het raapveld. Daar moest je dan in rap tempo de eieren pakken en met de punt naar beneden in zo'n rekje zetten. Tja, dan kneep je er wel eens eentje kapot. Dan werd het een vieze smeerboel en werden de volgende eieren tijdelijk via een verstelbare schuif naar een ander raapveld geleid.
Rekje vol? Dan in de kist. Hup, volgende rekje erop, enzovoorts. Zo werden de stapels hoger en hoger. Als de kist vol was, zette de baas ze weg. Ze werden hoog opgestapeld. Eén van de medewerkers was opa Nelis; die verdiende óók een zakcentje bij. Hij was schoenmaker; z'n zoons hadden de zaak in de Nieuwstraat (daar tegenover) overgenomen. Dat was een aardige, gezellige man. Die poetste met een nat doekje de vieze eieren schoon. Omdat er ook eieren in dozen van golfkarton werden verpakt, liep hij vaak met een blikje waterglas en een grote kwast rond, om die dozen met donkerbruin papieren plakband dicht te plakken. Op de kisten werden de etiketten ook met waterglas erop geplakt.
Op een dag moesten de eieren weggebracht, natuurlijk. Er was een bestelwagen; die was niet interessant. Het mooiste was als ik met de baas meemocht in zijn eigen auto. Hij had nl. een witte Borgward Isabella Combi - de mooiste auto die ik me voor kon stellen. Er zat ook zo'n oranje zonneklep voorop. En de clignoteurs gaven ook mooi oranje licht. Het interieur was fris, helder, met rode bekleding; heel zonnig! En dan zó'n lange naam met veel letters op de motorkap - ik vond het geweldig! We gingen ergens een polder in naar een molen, eieren brengen. Ik mocht ze dragen: zes rekjes droeg ik met m'n beide handen. Best een gewicht, maar het ging wel - tot ik struikelde. Jammer dan. Direct aanvaardden we de terugtocht. Gelukkig had hij altijd wat reserve in de auto staan, voor je weet maar nooit.... En dat moment was nu dus aangebroken. Ik was me een ongeluk geschrokken en schaamde me diep; maar hij lachte maar wat en leek het wel komisch te vinden. Ik kon de lol er niet zo van inzien. Ik weet niet of ik die week van hem m'n verdiende zakgeld heb gekregen, of niet....
-

17 september 2009

De reus komt eraan!

-
We zaten in de 3e klas van de lagere school. Het was woensdag. Om 12 uur gingen we uit. We renden naar buiten. Op het schoolplein stonden al andere kinderen bij elkaar, te smoezen. "De reus komt eraan! De reus van Rotterdam!" We holden allemaal de Kerkstraat door naar de Herenstraat. Daar stonden al meer mensen te wachten om te kijken. Ik vond het doodeng: een reus! Ik had al wel van hem gehoord, via m'n vader en m'n moeder. Maar dat 'ie echt bestond, aan dat idee moest ik wel even wennen...
Daar kwam hij van de provinciale weg af de hoek om, bij bakker van Velzen voorlangs. Dan langs de grutterij van Treurniet; zo aan de Kerkstraat voorbij. Wij stonden bij kapper Rein vd Wal op de hoek. Nou, reken maar dat hij groot was. Hij reed op een soort flatfiets, met een verdieping erop. Jemig, wat is die man groot! Het was geen reus uit een sprookje; maar wel een echte reus: 2.55 lang en 230 kilo, volgens een boek over Rotterdam in de jaren vijftig. Daar staan ook twee foto's in, zie hierboven. Eentje is wat vertekend, omdat hij daar met lilliputters op straat staat. Zijn naam was Rijn Rijnhout; hij woonde in het centrum, in de Gouvernestraat. Hij overleed in 1959 op 36-jarige leeftijd.
-

16 september 2009

Een geheime wereld

Naast de kapsalon in de Herenstraat was een kleine opening, en daarnaast was een heel klein winkeltje. De winkeldeur was tevens huisdeur. Het smalle huiskamerraam was tevens etalage. Wat heb ik vaak voor die etalage staan kijken, met m'n neus tegen het raam. Heel apart. Nergens in de wereld had ik eerder iets vergelijkbaars gezien. Direkt achter het raam was een stukje etalage. De bodem bestond uit groezelige plankjes. Achter de etalage was een geel-wit geblokt keukengordijntje opgehangen aan een koperen roe. Ook aan beide zijkanten hing zo'n geel gordijntje, dat weer aansloot bij het raamkozijn. De etalage was een besloten ruimte; een heel eigen wereld. Hoe zou die wereld daarachter er uitzien? Ik wist dat daar een oude dame woonde, oma Hartog; die had een grote zoon. Die kende ik wel een beetje. Hoe zouden die daar leven? Het huuske was maar heel klein! Maar die etalage - daar kreeg ik niet genoeg van. In het midden stonden 6 rekjes met eieren op elkaar gestapeld. Ernaast niks, erachter niks, ervoor niks. Een stilleven met eieren. Hoe kan het dat die rekjes met toch wel zware eieren niet inzakten? Soms mocht ik daar wat eieren halen; ze kostten toen een duppie - en dat is nog altijd zo. Eieren kosten de eeuwen door altijd 10 cent - ga maar na. Dan kwam ik dus even binnen. Direkt als je de deur binnenkwam, had je aan je linkerkant de etalage-zijkant en daarna was er een tafeltje. Daar zei je wat je nodig had. Ze pakte de eieren in een krant, rekende af - en dat was het. Dan ging ik naar buiten om nog weer even in de etalage te gluren. Ik was toch in ieder geval even in die onbekende, geheime wereld achter de gordijntjes geweest, die zo heel anders was dan die vóór de gordijntjes. Als ik binnen was, kon ik me niet voorstellen dat die etalage zo stil en strak was, want binnen was het warm, licht en gezellig. En als ik weer buiten stond, was die binnenwereld weer weg. Wonderlijk!

De wraak van de kapper

-
Hoe raar het misschien ook klinkt, als kleine jongen moest ik af en toe naar de kapper. Dat deed je gewoon. Die was in de Herenstraat, kapsalon Jo Schipper. De hoofdknipper daar was Rokus; hij was zelf kaal. Hoe dat met z'n deskundigheid zat, weet ik dus niet. Ik was een jaar of acht, negen en ging naar de kapper, vlak bij ons om de hoek. Nou ja, on de hoek: alles was dichtbij. Wat was er nou ver in de kom van het dorp Berkel? In vijf minuten was je door het dorp heen, terwijl je er als kind in de tijdloosheid leefde en uren rond kon zwerven.
Ik moet een jaar of acht geweest zijn - zoals op de foto hiernaast; ik sta linksboven - dat ik op een vrijdagmiddag met een beetje geld in m'n broekzak naar de kapper toog. De kapsalon zat vol met mannen, die uit hun werk kwamen. Ik ging netjes zitten en keek en wachtte en keek en wachtte - tot ik aan de beurt was. Dat kijken was interessant; spannend zelfs. Van een verre buurman werd de nek geschoren en ineens zag ik dat hij daar een rare knobbel had, die net boven de rand van z'n ketelpak uitstak. Fascinerend, zo'n verschijnsel. Wat zou het zijn? Wat zou er gebeuren als je erin kneep? Of een gaatje erin prikte? Wat zou er dan allemaal uit kunnen komen? Mijn gedachten en fantasieën namen een enorme vlucht. Ondertussen hoorde ik het lawaaiige gezoem van de tondeuse; hij was er nu vlak naast - ja - en nu! .... Nee, hij ging er omheen. Daarna werd die buurman flink ingezeept en werd hij nog geschoren, met zo'n lang, gebogen, vlijmscherp mes. Na gebruik kon je dat weer inklappen. Vóór gebruik haalde de kapper het over een soort vetleren riem - misschien om mogelijke bramen weg te halen of het nog iets aan te scherpen.
Nu was ik aan de beurt - maar weer werd ik genegeerd. Ik begreep er niets van. Zat ik daar als enig kind, en ik telde niet mee. Ik begon boos te worden. Ik vond het oneerlijk! Ik was er veel eerder dan die anderen! In m'n woede stond ik op, gooide zo'n hoge houten kinderkapkruk door de salon en schreeuwde dat ik het niet eerlijk vond, terwijl ik naar buiten rende. Maar Rokus stormde achter mij aan en greep me bij de kladden. "Schoolkinderen hebben hier op vrijdagmiddag niets te zoeken!" Whammmm - de winkeldeur klapte dicht en ik ging verbijsterd naar huis.
Een paar weken later was ik er weer. Nu zal het wel woensdagmiddag geweest zijn, of zo. Ik zat op zo'n hoge houten kinderkruk en Rokus ging bezig. Ik kreeg zo'n wit schort om me heen gekneld. Knip... knip... knip... Ineens schreeuw ik het uit: "U hebt me in m'n oor geknipt!" Inderdaad, m'n oorschelp bloedde een beetje. Hij had tussen de punten van de schaar net de rand ingeknipt. Het ging wel weer over, ook al deed het eventjes gemeen pijn. "Dit moet zijn wraak zijn", ging het door mij heen. "Nu ziet hij zijn kans schoon, terwijl ik weerloos ben". Het is nooit meer echt goed gekomen tussen ons. Daarna ging ik naar een andere kapper van een ander geloof, Rein van der Wal. Die vond ik niet prettig, maar alles was veiliger dan die Rokus!

15 september 2009

Beste zeeman

-
Als jongetje van 10 jaar zat ik bij de welpen. Ons clubgebouw was 'De Vonk' in Hillegersberg, op de hoek van de Molenlaan en de Grindweg. Om eenzame en nooddruftige zeelieden te troosten, adopteerde je als welp een zeeman. Met Kerst ging er een brief naar hem (zie foto), met een pakje erbij. In de krant volgde ik dan op welke van de wereldzeeën het schip zich telkens bevond. Tja, die brief: ik heb er bijzonder mijn best op gedaan. De balpennen vloeiden toen nogal uit en vlekten. Maar ik zocht in ieder geval naar een behoorlijke bladindeling. En - wat nog veel bijzonderder is - mijn dichtader begon rijkelijk te vloeien! Met weinig moeite is dit om te bouwen tot een heuse smartlap. Alleen blijft me één vraag steeds bezighouden: is dit het origineel? Heb ik die brief dus nooit verstuurd? Of heb ik zelf een kopie afgeschreven als historisch bewijsstuk?
-

5 april 2007

Jeugdherinneringen

Wat zijn mijn eerste herinneringen en uit welke tijd?

De vroegste stammen uit de tijd toen ik drie jaar was, misschien ééntje van daarvoor.

We woonden Nieuwstraat 6 in Berkel en Rodenrijs. Per 1 november 1951 (net nadat ik 4 was geworden op 18 oktober) verhuisden we naar Prins Bernhardlaan 1, waar m’n moeder nu nog altijd woont (zomer 2007). Van die verhuizing herinner ik me nog enkele dingen, maar dus ook best wel wat van de Nieuwstraat. Ik zal ze chronologisch proberen te ordenen, al geef ik er geen garantie op. Wel weet ik heel zeker dat ze toen in dat huis zijn beleefd, dus op z’n laatst toen ik nog drie was.


1. Ongeluk met de postkoets

Het huis had alleen een achterom; dan kwam je in een gangetje met links de deur naar de keuken en de deur waar de trap van boven in uitkwam, en aan het eind een glazen deur om de kamer in te gaan. We sliepen boven. Ik speelde op de slaapverdieping op de grond met de prachtige op schaal gemaakte houten postkoets, die m’n vader daar had staan. Ik kwam te dicht bij het trapgat en donderde met veel kabaal naar beneden – zonder de koets. Ik herinner me heel duidelijk het moment van de val, en dat ik een dun katoenen pofbroekje aan had. Of was ik al in hansop? Ik zag tegen een lila achtergrond, rode, oranje, gele en blauwe sterren en ringen door elkaar heen tuimelen, toen ik van de trap af donderde. Nu ik de herinnering bovenhaal, voel ik een licht gevoel van misselijkheid. Moet dus een flinke klap geweest zijn. Misschien was ik nog twee, bijna drie of net drie jaar.


2. Sterrenhemel

Toen ik nog een heel klein pukkie was, ik denk een jaar of drie, woonden we in een heel klein huisje. Drie huisjes aan elkaar. Je kon alleen maar ach­ter­om binnenkomen, via een plaatsje met zwarte sintels. Ik herinner mij, dat ik een keer 's nachts naar de WC moest. Nou ja, denken jullie misschien, dan doe je toch het licht aan, en ga je toch gewoon?!

Maar zo simpel was dat niet. Om naar de WC te gaan, moest ik van de trap af naar beneden. Dan was je in een gangetje. Dan moest ik naar buiten, het binnenplaatsje oversteken, de schuur in; daar was de houten plee. 's Nachts, in het pikkedonker. Ik herinner het me als de dag van gisteren, omdat ik het misschien maar één keer gedaan heb. Niet omdat ik het te eng vond, maar omdat ik meestal in de nacht niet hoefde, en omdat we daar maar tot en met mijn derde jaar gewoond hebben.

Toen ik daar dat binnenplaatsje overstak, zag ik ineens boven me allemaal sterren twinkelen. Ik heb toen vol verbazing even staan kijken. Dat was denk ik voor het eerst, dat ik bewust de sterren­hemel zag. Wat mooi! En ik was gelijk niet bang meer. In de WC‑deur zat een klein drop/ruitvormig openingetje. Daar doorheen kon je ook de sterren zien. Ik heb ervan genoten. Als je je hoofd wat verschoof, zag je weer andere sterren, met minder of met meer schittering. Prachtig was dat!

Het is zomaar een kleine herinnering, maar mis­schien wel heel belangrijk voor je levensgevoel. Stel je voor dat ik naar buiten was gegaan, en het had zó hard gewaaid dat de takken van de bomen kraakten en zuchtten, en met van die zwarte wolken die langs de maan­verlichte hemel joegen... dat zou best angstig hebben kunnen zijn. In het donker kun je je best veilig voelen en op je gemak, maar het kan ook angstaanjagend zijn. Ik ben blij met mijn sterrenhemel-ervaring.


3. Flappie, het valse hondje

Als je naar de straat wilde, moest je dus over dat achterplaatsje door een gangetje naar de Nieuwstraat, en dan even naar links – dan was je bij de Herenstraat. Op de ene hoek van de Nieuwstraat en de Noordeindseweg had je de sigarenwinkel van De Vogel; op de andere hoek, van de Nieuwstraat en de Herenstraat, had je - na een paar huizen - de winkel van Van Kesteren (huishoudelijke artikelen). De Herenstraat is de doorgaande weg door het dorp. En aan de overkant loopt de vaart, waar de veilingschuiten door voeren. Door dat gangetje heen was altijd spannend, want er kwamen ook poorten op uit van mensen die aan de Herenstraat woonden. Zo woonde daar een juffrouw Schipper. Die had een klein fel hondje, Flappie. Als je langs het poortje ging, ging Flappie altijd enorm tekeer. Spannend! Dan schopte ik nog eens even tegen dat houten poortje aan – geweldig! Tot – het poortje een keer openvloog, en Flappie aan m’n broek hing. Sindsdien ging ik er altijd wat stilletjes langs.


4. Bijna onder de bus

Door de Herenstraat kwam af en toe een auto, of een bus. Vanuit Rodenrijs, of uit het Noordeinde, waar opa Mostert woonde. Toen ik een keer uit de Nieuwstraat overstak naar de vaart (daar bij de weegbrug), zag ik ineens de voorkant van een bus naast m’n hoofd, zo groot als een kerk. Veel wit en chroom en een beetje rood. En een keiharde claxon. Ik werd door een kracht keihard naar voren geworpen en belandde op het grasrandje tussen de weegbrug en het water - en de bus raasde achter me voorbij. Ik kan die voorkant nòg uittekenen, zo is die in mijn geheugen geprent….. Ik was gered.

Onderaan bij het water had je een spoelstoep, waar oma van der Ent de was ging uitspoelen in de vaart. Of waar mensen water haalden voor de planten of de beesten.


5. Mis poes!

We aten aan de keukentafel. Ik zat vlak voor het raam, m’n moeder links van mij bij het aanrecht, pa tegenover mij en Ineke rechts. Er stonden glazen water op tafel. Kennelijk zat ik te klieren, want pa gooit ineens een plens water naar m’n hoofd. Ik zie het komen, buk snel – en het water druipt langs het raam naar beneden. Dat gaf een trots gevoel: lekker te snel af, lekker mis!


6. Bal veroverd

Voor ons huis in de Nieuwstraat waren de grote jongens op straat aan het voetballen: de jongens van Van Loon, Kees de Gelder, van Seldenthuis, van der Ent, Beukel en nog meer. Ik was er nog te klein voor, maar ging wel kijken. En ineens zie ik mijn kans schoon: de bal rolt naar mij toe, ik pak ‘m vlug op en ren ermee onder mijn arm door het steegje, achter het huis om en naar binnen en kruip met de bal onder de keukentafel. Maar helaas: die Kees de Gelder komt ook, en sleurt me met bal en al weer onder de tafel vandaan. Wat een harde wereld, toch!


7. Van oude mensen en dingen die voorbijgaan

Naast ons woonden opa en oma Van der Ent; oma zat vaak voor de deur op een keukenstoel met een blauwe mangelbak op schoot de aardappels te schillen of spruitjes schoon te maken. Ze hadden een groot gezin en moesten hard werken in de tuinbouw. Dan ging ik even bij haar op de drempel zitten om een praatje te maken. Ze had echt van die ouwe mensen kleding aan en zo’n donker schort voor met kleine bloemetjes.


8. Servies werpen

M’n moeder had nog een kinderserviesje van emaille: kleine kopjes en schoteltjes, een theepotje, suikerpotje, etc. In mijn herinnering was het lichtblauw. Totdat Ineke en ik samen de kolder in de kop kregen; want wat was er nou leuker om, als de koeien loeiden in de slagerij van IJssie Beukel naast ons op nr. 8, dan gauw wat van dat serviesgoed op het dak te gooien en de reactie af te wachten?! Hartstikke spannend, ook als we straf kregen of zo. Van het serviesje waren later maar een paar kleine dingetjes over, maar die zijn ook verdwenen.


9. De verhuizing

Het nieuwe huis aan de Prins Bernhardlaan was klaar in oktober 1951. Pa en ma kregen de sleutel en we gingen verhuizen. Ik voelde aan alles dat het spannend was, wat we gingen doen. Ik weet nog als de dag van gisteren dat ik mocht helpen: pa zette een old-finish boekenkast met deurtjes met geelachtige glas-in-lood-raampjes erin dwars achterop de bagagedrager van zijn fiets, en zo liepen we het van Oldenbarneveldtplein over langs het gemeentehuis, en dan linksaf de Wilhelminastraat naar beneden en rechtsaf door de Julianastraat naar de Prins Bernhardlaan. Want via de Van Koetsveldstraat kon je er niet komen; het uienlandje van opa Schipper lag er nog. De PB-laan was nog niet doorgetrokken naar boven toe. Bij die verhuizing zorgde ik, ja ik er dus voor dat de kast achterop de fiets in evenwicht bleef, door hem met een handje te ondersteunen. Zo! Dat in die kast later alle de verzamelde werken van Vondel konden staan, hadden ze dus in belangrijke mate aan mijn hulp en steun te danken – zo voelde dat.

Kleuterschool

Omdat ik nog wat aardige kleuterschoolherinneringen heb, schrijf ik die ook nog even op, maar dan stop ik. De kleuterschool: dat was de mooiste plek van het dorp, voor een kind: A. van den Toorn’s bewaarschool. Dat stond er op de gevel. De kleuterschool was wat naar achteren gebouwd; dus vóór de kleuterschool was ook nog een plek met wat bomen of struiken. Rechts ernaast woonde een oude dame, Pietje Berkel heette ze. Dat vond ik zo grappig. Links had je geloof ik een woonhuis en dan de fietsenwinkel van Van Bommel.

Maar het mooiste van de kleuterschool was het schoolplein aan de achterkant, aan de vaart. Daar boomden de veilingschuiten langs; sommigen hadden een motor. Er was een flinke zandbak en een enkel houten speeltoestel. Ik herinner me een wip. Maar – dat was het belangrijkste – midden op het speelplein achter de kleuterschool stond een enorme kastanjeboom. In september kwamen daar van die prachtige, diep roodbruine kastanjes af. Daar deden we dan wat mee. Bijvoorbeeld beesten van maken. Met een prikkertje maakte je er dan gaatjes in; daar stak je de afgebrande lucifers in. Zo kreeg je de prachtigste beesten, poppetjes en figuren.


10. Juffrouw Em

Er waren twee lokalen: aan de voorkant een soort leslokaal, aan de achterkant meer een speellokaal. Daar zwaaide juffrouw Em de scepter. Ik herinner me het prachtige middaglicht, wat getemperd door de kastanje voor de ramen. Heel sfeervol. We moesten op onze hurken gaan zitten in een grote kring van 20-25 kinderen. Eéntje bleef buiten de kring. We moesten onze handen voor de ogen doen. Die hem was, liep rondjes om de kring, terwijl wij zongen:

“Niemand zeggen, zakdoekje leggen,
‘k heb de hele nacht gewaakt,
twee paar schoenen heb ik afgemaakt,
één van stof en één van leer,
hier leg ik mijn zakdoekje neer;
alle ogen zijn gesloten,
wie er omkijkt krijgt hem niet,
die krijgt hem niét!”

Die hem was legde dan gauw de witte zakdoek achter iemand neer; als je die had, moest je achter hem aanrennen en tikken. En dan mocht jij.

Andere liedjes die we daar leerden waren:

‘k Moest dwalen, ‘k moest dwalen,
langs bergen en in dalen;
daar kwam opeens een springer in het veld:
hij zwaaide met zijn hoed,
hij stampte met zijn voet.
Komt laten wij nu dansen gaan, dansen gaan
en de anderen moeten blijven staan’.

Dat ging ook met een kringspelletje.

Heerlijk om te zingen vond ik ook:

Heer langoor zou op reis gaan,
op reis gaan voor plezier;
hij zette ’t op Parijs aan,
wel twintig uur van hier.
Hij droeg een vuurrood jasje,
zijn vest was blauw geruit;
en achter uit zijn broe-hoekje,
daar sták zijn staartje uit!

En:

Alles in de wind, alles in de wind
ben ik een schipperskind;
alles in de wind, alles in de wind
ben ik een schipperskind.
Kom hier, Rosa, je bent m’n zusje, je bent m’n zusje,
kom hier, Rosa, je bent m’n zusje ja ja!

O wat spijt, o wat spijt,
nu ben ‘k m’n zusje kwijt;
o wat spijt, o wat spijt,
nu ben ‘k m’n zusje kwijt.
Kom hier, Rosa, je bent m’n zusje, je bent m’n zusje,
kom hier, Rosa, je bent m’n zusje ja ja!

Ginds onder die brug, ginds onder die brug
vond ik m’n zusje terug;
ginds onder die brug, ginds onder die brug
vond ik m’n zusje terug.
Kom hier, Rosa, je bent m’n zusje, je bent m’n zusje,
kom hier, Rosa, je bent m’n zusje ja ja!


11. Juffrouw Bloemendaal

In het voorste lokaal hadden we juffrouw Bloemendaal. Dat was een hele lieve, zachte, aardige oude vrouw, in mijn herinnering. Het was er altijd gezellig. We maakten allerlei werkjes met plakrondjes in een grijs schriftje; we hadden vlechtmatjes. Dat kon ik allemaal heel goed. Als we de blokken op moesten ruimen, moest je ze weer in hun doos passen. Ik zie me nog prutsen om een flinke doos met kleine blokjes van allerlei vorm weer in mekaar te passen – maar het lukte. Ook herinner ik mij dat we wat grotere knutseldingen hadden, zoiets als een houten hijskraan of zo. En een soort stellage van koperdraad, waaraan weer wollen draadjes hingen. Ik weet niet meer wat het was.

Ook leerden we daar punniken: met een pennetje de draad over de viers spijkertjes van de paddenstoel wippen. Onderaan kwam er dan zo’n wollen of katoenen slang uit.

Bij juffrouw Bloemendaal leerde ik het liedje:

‘Jezus zegt dat Hij hier van ons verwacht,
dat wij zijn als kaarsjes, brandend in de nacht;
en Hij wenst dat ieder tot zijn ere schijn’:
gij in uw klein hoekje, en ik in ’t mijn’.


12. Het ongeluk

Ik was een jaar of vijf; er was geen kleuterschool. Het was een of andere vakantie; als ik me goed herinner, was het een mooie herfstdag. Ik ging naar het dorp, naar de Herenstraat. Ik stak over naar de kleuterschool en zie ineens een grote glimmende koplamp naast me – remmen, een klap….

Ik word wakker in de boekwinkel van Olree aan de Herenstraat. Vlak daarnaast had je het eierwinkeltje van Den Hartog en de kapsalon van Jo Schipper, met kapper Rokus. Er staan mensen om me heen; mijn opa Mostert is er ook, en die praat tegen me: Hoe is het, jongen? Ze kijken allemaal bezorgd. Even later komt dokter Piet Hoogerbrugge, die is geroepen. Hij onderzoekt m’n hoofd en m’n oor en plakt de oorschelp met leukoplast weer tegen het hoofd aan. Het lijkt mee te vallen. Ik was net Malchus, zei pa altijd - daarbij twee bijbelteksten combinerend: "Daarop trok Simon Petrus het zwaard dat hij bij zich had, haalde uit naar de slaaf van de hogepriester en sloeg hem zijn rechteroor af; Malchus heette die slaaf." (Johannes 18,10), en: "een van hen sloeg in op de dienaar van de hogepriester en sloeg hem zijn rechteroor af. Maar Jezus zei: ‘Houd daarmee op. Zo is het genoeg!’ Hij raakte het oor aan en genas de man (Lucas 22,50-51)

Ik was zomaar de straat overgestoken naar de kleuterschool. Met m’n kop was ik door het glas van de koplamp van zo’n zwarte Traction Avante (Citroën) gegaan en onder het remmende voorwiel gekomen dat over m’n buik was gegaan. De bandensporen zijn nog als litteken in m’n lies aanwezig.

Ik werd naar huis gebracht; er werd een bedje in de kamer aan de Prins Bernhardlaan ingericht, waarop ik moest liggen. De man van de zwarte auto kwam bij ons op bezoek en was heel aardig, vooral omdat hij voor mij een niet eens zo klein beertje van marsepein meebracht! Heerlijk!

Maar na twee dagen hield ik het niet meer; het was prachtig weer en ik wilde weer naar buiten. Toen de dokter weer voor controle was geweest, mocht dat ook. Ik bleek zelfs geen hersenschudding of inwendige beschadigingen te hebben – gelukkig!


13. Terug uit Indië

In 1951 of 1952 [nu hoorde ik van mijn moeder dat het op 12 april 1950 was, dus toen was ik nog geen 2,5 jaar] werd ik meegenomen naar het huis van opa en oma Mostert, Noordeindseweg 60. Het was prachtig weer. De hele familie was bijeen. Het was een belangrijke dag: oom Wim kwam terug uit Indië. Telkens liepen we naar de weg om uit te kijken of de bus er al aankwam, uit het Noordeinde. En ik zie de bus nog komen: een touringcar, met veel wit en rood en chroom, met zo'n oranje zonneklep boven de voorruit en ook raampjes aan de zijkant in de ronding van het dak, van die panorama-vensters. De bus stopte voor het huis en oom Wim stapte uit, bepakt en bezakt. De sfeer was geweldig, daar onder die grote kastanjebomen voor het huis, op het bruggetje over de sloot.

14. Naar opoe


Ik moet 4 jaar geweest zijn dat ik met pa en ma meeging naar Bergschenhoek, op bezoek bij opoe (overgrootmoeder) Mostert. Die woonde op de kruin, waar later de ooms (ome Jo en ome Jan, en daartegenover ome Klaas) ook woonden. We komen de gang binnen en worden begroet. Opoe Mostert doet een hoog kastdeurtje onder de trap open en haalt daar een grote rode jambus uit met zelfgebakken zandkoekjes. Daar krijg ik er een van, terwijl m'n vader me optilt. Onvergetelijk! In dat jaar overleed opoe Mostert. Die grote rode jambus staat nu bij ons...

15. Oma sterft


In 1953 was oma Mostert ernstig ziek geworden. Ze werd steeds zwakker. We wisten dat ze ging sterven. Ze lag in de voorkamer aan de Noordeindseweg, die vroeger van meneer Frits Verveen geweest was; in het kleine kamertje ernaast was het kantoor van opa's bodedienst, met grote kasboeken en een gewolkte bronsgrijze prullenbak van geperst karton. Die hebben wij nu in de woonkamer staan... Op een dag gingen we afscheid nemen van oma. De sfeer was ernstig, maar niet dramatisch. Gewoon: verdrietig. Ineke en ik mochten met ma mee. Thuis had ze ons voorbereid. We hadden oma's lievelinsglied samen geleerd:

1. Vaste rots van mijn behoud,
als de zonde mij benauwt,
laat mij steunen op uw trouw,
laat mij rusten in uw schauw,
waar het bloed door U gestort,
mij de bron des levens wordt.

2. Jezus, niet mijn eigen kracht,
niet het werk door mij volbracht,
niet het offer, dat ik breng,
niet de tranen, die ik pleng,
schoon ik ganse nachten ween,
kunnen redden - Gij alleen.

3. Zie, ik breng voor mijn behoud
U geen wierook, mirr' of goud;
moede kom ik, arm en naakt,
tot de God, die zalig maakt,
die de arme kleedt en voedt,
die de zondaar leven doet.

4. Eenmaal als de stonde slaat,
dat dit lichaam sterven gaat,
als mijn ziel uit d'aardse woon
opklimt tot des rechters troon, -
Rots der eeuwen, in uw schoot
berg mijn ziele voor de dood.

Dat hebben we bij haar bed toen samen met haar gezongen in de prachtige, sfeervolle kamer met gedempt daglicht en glas-in-lood-ramen. Terwijl ik dit opschrijf, komt het verdriet weer boven.... Ook als we het wel eens bij een uitvaart moeten zingen, zijn de emoties heel dicht aan de oppervlakte. Prachtig, toch, zo'n herinnering?